En het woord werd vlees

Ik kende haar lang voor ik haar zag. Wist dat ze 'niet erg pienter' was maar 'wat lijzig'. Haar mond stond meestal halfopen zodat haar 'vooruitstekende griffeltanden' opvielen en haar ogen waren 'zwak en waterig'. Zo beschreef Jan Mens haar in zijn roman 'De Blinde Weerelt' (1948), deel twee van de Griet Manshande-reeks. Als door astma gevloerde tiener las ik in een maand de complete boekerij van mijn ouders.

Jaren later ontdekte ik pas dat Geesje Kwak niet door Jan Mens was bedacht; ze was geen hersenspinsel, maar een meisje van vlees en bloed. Zestien jaar was ze toen G.H. Breitner haar in 1893 als model koos voor zijn serie schilderijen met een meisje in een witte of rode kimono. Begin jaren zeventig zag ik in Rijksmuseum Twenthe voor het eerst Breitners doek 'Meisje in witte kimonoo'. Verbijstering: het woord werd vlees. Vereeuwigd in olieverf lag Geesje Kwak op dezelfde stoffige sofa als die waarop ik in mijn ouderlijk huis maanden naar adem had liggen snakken. Later zag ik haar terug in het Stedelijk Museum Amsterdam en in het Haags Gemeentemuseum.

Jan Mens (1897-1967) en George Hendrik Breitner (1857-1923) hebben elkaar zover ik kan nagaan nooit ontmoet. Toch deelden ze de fascinatie voor 'volksvrouwen' - dienstboden, garnalenpelsters koffiepiksters. De een schilderde, tekende en fotografeerde hen; de ander gebruikte hen als kleurrijke personages, als stoffering in een roman.

Jan Mens heeft de echte Geesje Kwak niet kunnen kennen want twee jaar voor hij ter wereld kwam, vertrok ze naar Zuid-Afrika. In 1897 liet zij zich samen met haar zus Niesje in Pretoria door een fotograaf portretteren. Twee jaar later stierf Geesje Kwak, eenentwintig jaar oud.

Het Rijksprentenkabinet te Amsterdam bezit 84 van Breitners schetsboekjes plus een zakboekje. In dat zakboekje - precieser: in die 'Agenda voor het jaar 1883', een onooglijk kleinood dat de bezoeker mag inzien nadat hij een paar hagelwitte handschoentjes heeft aangetrokken - wordt Geesje Kwak op 27 januari voor het eerst genoemd. Breitner werkte de komende maanden met de modellen Koosje Koen (7 juli), Lientje (19 en 21 juli), Tientje Dijkstra (26 juli) en Cato (28 augustus).

Geesje had een poseerafspraak op maandag 7 augustus om half tien. Vijf keer kwam zij die maand op het atelier. Op 31 augustus ontving ze volgens de agenda 200 gulden (in die tijd een vermogen). Pas op 27 september kwam ze terug. Op de tegenover elkaar liggende pagina's 9/10 en 11/12 november staat een schets van een op een kussen liggend deerntje in een rare houding. Het lijkt alsof ze van grote hoogte op het kussen is gekwakt. Merkwaardig is dat Breitner de agenda niet als zodanig gebruikte, er staan geen afspraken in met vrienden zoals Willem Witsen en Isaac Israels.

Jan Mens voerde zijn romanpersonage Geesje (eigenlijk Gesina) Kwak op als een kwakkelende tiener: 'Er moet wat aan Geesje haperen, haar mangelen moeten geknipt worden'. Een paar pagina's verder laat de schrijver haar moeder Aal (eigenlijk Alida) Kwak zeggen dat haar dochter ziek is, last heeft van 'zinkings in 't hoofd' en dat ze met een warme kruik in bed ligt.

In Mens' roman, die zich afspeelt in de Jordaan, in de omgeving van de Noordermarkt, trouwt de gisse weduwe Aal Kwak met de schrijnwerker en doodkistenmaker Jacob Koorevaar op wie Griet Manshande een oogje had. Wrokkig bepeinst het hoofdpersonage de situatie: “En dan heb je daar nog dat suffe kind Geesje, dat konijnesnoetje. Als ze niet oppast, breekt ze d'r nek over 'r eigen tanden. In haar gewone doen kan het wurm geen a van een b onderscheiden, dat schaap heeft vast een klap van de molen beet.' Uitgesproken bokkig is de passage over Aal Kwak: “Griet kan die naam niet uitspreken zonder een tastbare weerzin te moeten overwinnen (...) Dat karonje, met haar tong als een scheermes, die vuilspuitster.'

Vroeg of laat vloeit alles ineen. Heden en verleden versmelten. Tijd speelt geen rol. Taal en beeld overlappen elkaar, een nieuwe werkelijkheid ontstaat. Schilderijen blijken leesbaar. Even is er in je hoofd een lieflijk vergezicht: de zowel arcadische als verontrustende paradijselijke staat.