De prijs van onbezorgd oudergeluk; KOSTEN

De overheid wil meer moeders aan het werk zien. Wie kind en baan combineert, wordt beloond. In de praktijk gaat het geld vooral naar moeders die toch al wilden blijven werken.

BABY'S HUILEN HARD en poepen dun, maar aan dat eerste is iets te doen. Je geeft het kind een fles of een paar troostende liefkozingen en een schone luier. Om voor die ogenschijnlijk eenvoudige taak een oppas te vinden, zou niet ingewikkeld moeten zijn. Dat steeds meer moeders die taak overlaten aan een oppas is in het belang van alle Nederlanders. Immers: om de kosten van de vergrijzing te betalen, zullen meer mensen aan de slag moeten. Moeders wacht een belangrijke taak: zij dragen straks bij aan de hoge kosten van de AOW.

De overheid beseft dat de tijd dringt. Subsidies, belastingmaatregelen en nieuwe wetgeving moeten prille moeders naar de arbeidsmarkt trekken of hen daar houden. Kinderopvang zou in het ideale geval een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid zijn van bedrijfsleven, overheid en ouders. In de praktijk belandt een werkwillende ouder in een wereld vol belastingdrempels, rekensleutels en schriftelijke verklaringen of aanvragen. De conclusie: kinderopvang is nog lang geen gemeengoed. De maatregelen stimuleren hooguit die moeders die toch al lonkten naar een plek op de arbeids-

markt.

Staatssecretaris Vliegenthart van Welzijn heeft inmiddels voorgesteld kinderopvang wettelijk te regelen en die zo voor elke ouder, ongeacht het inkomen, toegankelijk te maken. Dit jaar worden van 1,6 miljard gulden ruim 75.000 formele kindplaatsen betaald. De ouders of verzorgers betalen 42 procent van de kosten de overheid 25 procent en de werkgevers 33 procent. Dat werkgevers in Nederland bijdragen in de kosten van kinderopvang is uitzonderlijk in Europa.

De overheid stimuleert de werkgevers een bijdrage te leveren aan kinderopvang met een belastingvoordeel.

Een werkgever kan bedrijfsplaatsen huren in een kinderdagverblijf en de ouderbijdrage dan inhouden op het loon van de werknemer. Soms gebeurt het dat de twee werkgevers van tweeverdieners met elkaar onderhandelen over een opvangregeling met de bedoeling de kosten te delen. Als een van de werkgevers weigert mee te werken, en dat kan omdat er geen wettelijke verplichting is, moeten de ouders vaak de helft van de kosten zelf betalen.

In de praktijk dragen vooral werkgevers in bedrijven waar veel vrouwen werken bij aan opvang. In mannenbolwerken vindt de werkende ouder vaak wel een lease-auto voor de deur, maar geen potje voor kinderopvang. Sommige bedrijven hanteren het 'cafetariasysteem'. De werknemer moet dan kiezen van welke secundaire arbeidsvoorziening hij of zij gebruikmaakt: een lease-auto of kinderopvang.

Een indirect gevolg van het feit dat werkgevers zelf kunnen bepalen of zij bijdragen aan kinderopvang is dat vooral hogere inkomensgroepen profiteren. Uit het rapport Marktwerking, Deregulering en Wetgevingskwaliteit - uit mei 1998 in opdracht van het vorige kabinet - blijkt dat bedrijven die veel werknemers met lage lonen in dienst hebben, minder snel geneigd zijn kinderopvangregelingen te treffen. Hoe meer lage lonen, hoe meer belangstelling er zal zijn voor bedrijfsplaatsen in een kinderdagverblijf dus hoe duurder het dreigt te worden voor de werkgever. Een voorbeeld is de supermarktbranche, die in haar CAO geen afspraken heeft staan over kinderopvang. Ook heeft megaconcern Ahold, met onder meer de keten Albert Heijn, niets geregeld, in tegenstelling tot veel andere grote bedrijven.

De meeste uitzendbureaus hebben geen kinderopvangregelingen, terwijl juist daar (jonge herintredende) moeders toegang kunnen vinden tot de arbeidsmarkt.

Het uitzendbureau is de officiele werkgever van de uitzendkracht en dus de aangewezen partij om opvang te regelen. Maar volgens Bart Werrie van de Nederlandse Bond Bemiddelaars en Uitzendondernemingen (NBBU) moet kinderopvang meestal door de werknemer zelf worden geregeld met de organisatie die hem of haar inhuurt. “Daardoor hebben mensen die vragen naar de mogelijkheid van kinderopvang minder kans op werk via een uitzendbureau. Want niet alle bedrijven die krachten inhuren willen bijdragen aan kinderopvang. Wij zijn dan genoodzaakt mensen zonder kinderen daarheen te sturen. Of die ouders moeten de opvang geheel op eigen kosten regelen.'

Het financiele aandeel van de overheid bestaat uit fiscale maatregelen en subsidies. Ook hier profiteert vooral de werknemer met het hogere inkomen. Dit blijkt uit het volgende voorbeeld. Twee kinderen van verschillende ouders worden aangemeld bij een kinderdagverblijf. De ouders van het ene kind zijn goedverdienende specialisten. Ze maken aanspraak op de bedrijfsplaats die hun beide werkgevers hebben gehuurd. Het kinderdagverblijf zal dit kind zonder problemen opnemen, want het kost het centrum niets. Anders is dat met het kind van een alleenstaande moeder, die een minimuminkomen verdient. Het kinderdagverblijf krijgt geld voor een bepaald aantal zogenoemde subsidieplaatsen, maar de vraag is groter dan het aanbod. Het kind van de alleenstaande moeder komt op een wachtlijst die kan oplopen tot wel twee jaar. In die tijd moet zij zelf haar kind onder zien te brengen, of de gang naar de arbeidsmarkt nog even uitstellen.

De alleenstaande moeder, lid van de groep die de overheid graag in het arbeidsproces wil opnemen, heeft geluk als ze woont in een gemeente die een voorrangsregeling heeft, waardoor ze sneller een subsidieplaats toegewezen krijgt.

Er is geen landelijk beleid.

Het streven is het aantal kindplaatsen te verdubbelen. Hiervoor is in de toekomst 250 miljoen extra beschikbaar, maar tegelijkertijd zullen de kosten van opvang gaan stijgen met de komst van de nieuwe CAO Welzijn, waarmee leidsters circa 12 procent meer gaan verdienen.

Simone Veersema, woordvoerder van de Stichting Kinderopvang Nederland (SKON), vraagt zich af wie de kostenstijging gaat betalen. “Het is natuurlijk terecht dat gediplomeerde kinderleidsters meer geld krijgen. Maar ik kan me voorstellen dat er snel naar die 250 miljoen wordt gegrepen om dat te bekostigen. Dat zou een stagnatie van de groei van kinderdagverblijven betekenen, dit willen we uiteraard niet. Of stel dat de rekening op het bord van de ouders komt te liggen. In dat geval zal een behoorlijk aantal afhaken, ook heel onwenselijk.'

Onbezorgd oudergeluk duurt niet langer dan het zwangerschapsverlof van de moeder. De weg langs onwelwillende werkgevers en overbezette creches is alleen redelijk begaanbaar voor ouders met een goedgevulde portemonnee. Wie het met minder moet stellen, verkiest misschien de luier boven het loonstrookje, alle stimuleringsmaatregelen van de overheid ten spijt.