De mythe van de kleine klas

Waarschijnlijk is het aan de borreltafel begonnen. Twee vermoeide schooldirecteuren drinken net iets te veel, hun kritisch vermogen vernevelt. Ze zien er geen gat meer in. Er moet toch een oorzaak zijn voor die tegenvallende leerresultaten op hun scholen? Eureka! De klassen zijn te groot.

Hoe dan ook, ergens is het gerucht begonnen, het gerucht dat klasverkleining tot betere leerresultaten leidt. Al enkele jaren spreken en schrijven 'onderwijsdeskundigen' erover. Scholen zijn ermee bezig ouders geloven heilig in het nut van kleinere klassen en de media namen de hype over - gevolgd door politici: journalisten en politici hebben twee overeenkomsten: ze doen hun werk niet goed en ze volgen de mode. Met modieuze onderwerpen kun je scoren.

Het moest ervan komen: de overheid ging zich voor klasverkleining inspannen. Een slimme ambtenaar op het ministerie van Onderwijs bedacht nog net op tijd dat een onderzoek nodig was om het beleid in te dekken. Gevolg: een literatuuronderzoek (1996) naar de zinvolheid van kleine klassen - met tal van onduidelijke en zelfs tegenstrijdige onderzoeksuitkomsten. Je kan er, zeg maar, alle kanten mee op. De onderzoekscommissie hakte de knoop door. Vooruit dan maar: aandacht voor klasverkleining is aan te bevelen; met name voor de eerste vier groepen van de basisschool en als onderdeel van een pakket maatregelen, waaronder verplichte bijscholing van de leerkrachten. Zo ging de spaarpot open van Paars I en Paars II.

In de hype legden critici en onderzoek het af. Zo wees de doorgewinterde scholenkenner, Amsterdams onderwijswethouder J. van der Aa erop dat er in zijn stad al veel kleine klassen zijn - desondanks presteren de leerlingen er slecht. Zelfs de Onderwijsraad, 's ministers adviescollege van onderwijskundige kopstukken, weet geen steun aan te dragen voor de mening dat kleine klassen automatisch beter onderwijsresultaat zullen meebrengen.

“De permanente roep om kleinere klassen zal duren tot de verhouding leerkracht-leerling 1 op 1 is; maar ook dat is geen garantie voor goed onderwijs.' Zo luidde een van de stellingen van Simen Kooi, de jonge doctor in de pedagogiek.

De al wat oudere hoogleraren zullen zich wellicht die 'uitpuilende' klassen herinneren, hun klassen waar hun succesvolle carriere eens startte. Zowel in binnen- en buitenland zijn voorbeelden en onderzoek dat grotere klassen het onderwijs bijzonder succesvol kunnen maken - als de juiste methodieken maar worden toegepast. Om te beginnen in eigen land: bij vergelijkend onderzoek naar groepsgroottes blijkt dat de RK-scholen qua klasgrootte consequent vooroplopen. Diezelfde RK-scholen halen gemiddeld het meeste uit hun leerlingen, meer dan welke andere categorie scholen ook en al gaat het om hetzelfde type kinderen. Waar dat aan ligt? Nog niet opgehelderd, maar in ieder geval niet aan kleinere klassen op de RK-scholen. Je zou haast denken aan een positieve samenhang tussen groepsgrootte en leerresultaat: want wat gebeurt op Japanse scholen? Daar puilen de schoolklassen uit maar bij internationaal vergelijkend onderzoek halen Japannertjes de prijzen weg. De schoolklassen zijn groot, de leerprestaties ook. De ontspannen sfeer op die scholen - nee, ze worden er niet 'opgejaagd' - wijst erop dat er niet te veel wordt gevergd van leerlingen. Wel wordt zo effectief mogelijk lesgegeven - let op het woord effectief. Ook de ouders spelen er een rol. Zij spannen zich in om hun kind zo goed mogelijk te stimuleren en te begeleiden. School, ouders en kind willen hetzelfde: goede resultaten. De vooruitgang op school is voor de leerlingen een stimulans om er flink tegenaan te blijven gaan.

De mythe van de kleinere klas kost handenvol geld. Een klasverkleining van 24 naar 20 leerlingen lijkt bescheiden. Het bijbehorende prijskaartje? Naar schatting 1 a 1,5 miljard per jaar.

Natuurlijk, het wegsmijten van geld past in de Nederlandse traditie.

Zo wordt, ter illustratie elk jaar naar schatting ruim vijfhonderd miljoen gulden - vrijwel vergeefs - ingezet om de onderwijsachterstanden van allochtone kinderen te bestrijden.

De zogenaamde te grote klassen functioneren als afleidingsmanoeuvre voor de werkelijke problematiek. Enkele voorbeelden: er bestaat 'effectief onderwijs', een prachtige methodiek die in Nederland slechts in het kader van een experiment (KEA-scholen) mag worden toegepast.

Ten tweede: de docent is baas in eigen klas, een vrijbrief voor: doe wat je wil.

Ten derde: er is, om met Pierre Bourdieu en onderzoekster Sarah Blom te spreken, sprake van intelligentieracisme: docenten zien eenvoudig minder in dat 'Marokkaanse kind' of 'Nederlandse arbeiderskind'. Van hen verwachten ze minder en ze spreken hen minder op hun leervermogen aan. De voorbeelden zijn nog maar het topje van de ijsberg van wat er in en rondom het onderwijs gebeurt - van waarom die leerachterstanden maar blijven bestaan.

Minister van Onderwijs: wanneer gaat de beerput van het onderwijs open? De echte problemen zijn op uw ministerie hoogstwaarschijnlijk bekend. Zo niet, dan moet u maar eens op excursie naar Japan - om te leren hoe het, ondanks of juist dankzij, grote klassen beter kan.