De groep is belangrijker dan de leidster; PEDAGOGIE

Goed nieuws voor bezorgde werkende ouders: opvang op de creche is niet noodzakelijk slechter dan thuis. Maar toch moet er veel verbeteren aan de kinderdagverblijven in Nederland.

Het VERHAAL van een Amsterdamse moeder klinkt als een nachtmerrie voor wie haar baby na het bevallingsverlof in vakbekwame handen hoopt achter te laten: “Twee dagen in de week kon mijn baby in de creche terecht. Die had ik speciaal uitgezocht om hun kindgerichte filosofie: m'n dochter in een nieuwe babygroep, met zes pukjes van drie maanden of iets ouder. Maar dat aantal groeide gestaag. De vaste leidster kon het niet aan, nieuwe leidsters waren moeilijk te vinden, of knapten snel af. Zeker twintig verschillende leidsters heeft ze gehad in een halfjaar. Als moeder weet je dat dat niet goed is. Gelukkig is m'n kind vrolijk en lijkt ze er zelf niet onder te lijden. Toch breng ik haar iedere keer met lood in de schoenen weg. Maar wat moet ik anders? Er zijn overal zulke lange wachtlijsten, dat je ook niet ergens anders terechtkunt.'

De wens te blijven werken, dwingt vrouwen ertoe om - vrijwel pal na de conceptie - tegelijk met de kraamzorg ook de opvang voor het kind te regelen. Hulp bij de ingewikkelde keuze tussen oppas-oma's, gastmoeders of kinderdagverblijven wordt nauwelijks geboden. Terwijl de lijst boeken met uiteenlopende visies op zwangerschap en opvoeding gestaag groeit, gaan ze nog bijna allemaal uit van het ideaal van de zorgende moeder, die eigenlijk onvervangbaar is.

“Die houding is typisch Nederlands' meent dr. Elly Singer. Zij doet inmiddels twintig jaar onderzoek naar kinderopvang en is onder meer verbonden aan de vakgroep Pedagogische Wetenschappen van de Universiteit van Amsterdam. “Maar het uitbesteden van zorg is intussen allang een realiteit geworden. Ouders hebben tegenwoordig de regie over de opvoeding, maar zijn er niet noodzakelijk de hele dag zelf bij betrokken.

Het wordt hoog tijd dat we er ook zo mee omgaan.'

Uit een van haar onderzoeken blijkt dat Nederlandse ouders nog steeds de voorkeur geven aan opvang in het informele circuit en dat die oppas-oma's en gastmoeders, anders dan ontwikkelingspsychologen veronderstellen, niet slechter voor kinderen hoeven te zijn dan professionele kinderopvang.

Vaak is het wel moeilijker te regelen. Vaders lukt het niet in deeltijd te gaan werken, kinderoppassen zijn niet altijd beschikbaar of kunnen ziek worden. Het kinderdagverblijf is dan het alternatief. Ook de 'paarse' politiek vindt kinderopvang belangrijk en heeft voor de bouw van nieuwe creches en naschoolse opvang in deze kabinetsperiode een extra bedrag van 250 miljoen gulden uitgetrokken.

Het taboe op het uitbesteden van zorg is weliswaar verdwenen, toch maken veel ouders zich zorgen of het goed is hun kind naar een dagverblijf te brengen. Dat het kind bij de eigen moeder eigenlijk het beste af is zit diep verankerd in ons denken. Ook ontwikkelingspedagogen aanvaarden algemeen de gehechtheidstheorie: als een ouder met gevoel ingaat op de emoties van het kind, kan het zich veilig hechten aan de opvoeder, en dat is de basis voor een gezonde ontwikkeling. Bij eenderde van de kinderen gaat er daarbij iets mis, wat 'onveilig hechten' heet. Dat kan verschillende oorzaken hebben, zoals een ernstige postnatale depressie of grote sociale of psychologische problemen van de moeder. Op de lagere school blijken deze kinderen vaak de buitenbeentjes, de agressieve of juist teruggetrokken leerlingen.

“Een ouder fungeert voor het kind als buffer tegen stress, leert het met angstige situaties om te gaan maar blijft beschikbaar als veilige haven.

Veiligheid is het belangrijkste gevoel dat je een klein kind als ouder, maar ook als opvoeder in een dagverblijf, kunt bieden', verklaart Marjan Riksen-Walraven, kort geleden benoemd tot bijzonder hoogleraar in de kinderopvang aan de Universiteit van Amsterdam. Zij vindt dan ook dat het gezin en kinderopvang in hun belangrijkste doelstelling niet zoveel van elkaar verschillen. “Ik wil daarom onderzoeken hoe je het kind zo veel veiligheid kunt bieden dat het zich - ook in het kinderdagverblijf - optimaal kan ontwikkelen.'

Sinds de jaren zeventig wordt onderzoek naar kinderen in dagverblijven vaak gestuurd door de onderliggende veronderstelling dat die kinderen daar slechter af zijn dan bij hun moeder thuis. Riksen-Walraven wijst echter op een grootschalig Amerikaans onderzoek uit 1997 dat bezorgde werkende ouders-van-nu gerust kan stellen. Uit dit onderzoek blijkt namelijk dat een creche-kind alleen risico loopt 'onveilig gehecht' te raken wanneer de moeder slecht of niet reageert op de behoeften van haar kind, en zo'n kind vervolgens ook nog eens de pech heeft op een slechte creche te zitten, of op verschillende wijzen wordt opgevangen. Maar op zichzelf konden de onderzoekers geen verschil vinden in veilige of onveilige hechting tussen kinderen die bij moeder thuisbleven of naar een kinderdagverblijf gingen. Ook factoren als de leeftijd waarop ze naar het dagverblijf gingen, het aantal dagen, de kwaliteit van de opvang of de stabiliteit van de groep bleken geen aantoonbare invloed te hebben op de latere ontwikkeling. Niet alleen voor ouders die aarzelen over de keuze voor een creche kan dit onderzoek een opluchting zijn, ook voor de kinderopvangsector biedt het perspectief.

Het adagium dat de leidster zoveel mogelijk de moederrol moet nabootsen, kan daardoor namelijk met een gerust hart worden losgelaten. Ontwikkelingspsycholoog Elly Singer geloofde er, mede door haar uitvoerige video-observaties in dagverblijven, toch al niet in. “Kinderen die vrij spelen vallen maar 15 procent van de tijd terug op de leidster. De rest van de tijd zijn ze zelf aan het spelen of met elkaar in de weer. Van elkaar leren kinderen veel meer dan wij volwassenen geneigd zijn te denken. De situatie op de creche is gewoon wezenlijk anders dan thuis.'

Ze geeft het voorbeeld van een meisje van drie dat het thuis erg moeilijk had en ook in de groep stil was en niet speelde. “Een halfjaar later bleek ze totaal veranderd, op sleeptouw genomen door een jonger kind dat haar had leren spelen, grappen maken sociaal vaardig te zijn, kortom. Zo'n ontwikkeling kun je niet afdwingen. Je kunt wel het pedagogische klimaat scheppen waarbinnen het mogelijk wordt dat kinderen van elkaar leren.'

Dat betekent dat leidsters vooral structuur moeten aanbrengen, is de overtuiging van Singer. “Een tweejarige bijvoorbeeld kan nog niet kiezen. Ziet die veel speelgoed om zich heen dan zijn dat te veel prikkels. Chaos en gebrek aan concentratie zijn het gevolg.

Daarom zou de leidster bijvoorbeeld in de poppenhoek eerst de potten en pannen tevoorschijn kunnen halen, en een week later de doktersspullen.

Door een structuur aan te brengen help je kinderen zelf hun verhaal te maken. Je kunt ze leren elkaar te troosten, onderling conflicten op te lossen, in plaats van er zelf als een politieagent tussen te springen.

“De pedagogische kansen liggen voor het oprapen.

Maar je moet ze als leidster wel zien. Op dezelfde manier moet je kinderen een overzichtelijke dagindeling aanbieden, met vaste rituelen rond eten en slapen. Want veiligheid is niet alleen een gevoelsrelatie, zoals tussen ouder en kind, maar ontstaat ook als een kind erop kan vertrouwen dat er niet te veel onverwachts gebeurt. Een belangrijk doel van het kinderdagverblijf zou moeten zijn dat je een groep, een gemeenschap maakt die betekenis heeft voor de kinderen, waar ze later met plezier aan kunnen terugdenken.'

De opvattingen van Singer vinden hun weerklank in het landelijke project 'Pedagogische Vernieuwing in Kindercentra' dat in opdracht van de overheid wordt ontwikkeld aan het Nederlands Instituut voor Zorg en Welzijn. Uitgangspunt hierbij is dat het accent bij de groep ligt, in plaats van bij het individuele contact tussen volwassene en kind, in een voor het kind inspirerende omgeving die andere leefregels kent dan thuis gelden.

Willemijn de Groot is Hoofd Kinderopvang in Amsterdam-Zuidoost en begeleidt dagverblijven die het project Pedagogische Vernieuwing in de praktijk brengen. “Veel kinderen in de Bijlmer hebben achterstandsproblemen, vooral op het gebied van taalontwikkeling. Je kunt preventief goed werk doen in een dagverblijf. Lagere scholen zijn blij met kinderen die eerst op een van onze dagverblijven of peuterspeelzalen hebben gezeten. Ze zijn zelfstandiger, sociaal vaardiger en hebben een minder grote taalachterstand. Maar het blijft altijd een afweging voor leidsters hoeveel aandacht ze aan probleemkinderen moeten geven. Het mag niet ten koste gaan van de groep.'

Een duidelijk pedagogisch beleid kan de kinderopvang helpen om niet te veel te worden opgeslokt door het belang dat de hulpverlening hecht aan vroegtijdige diagnose en begeleiding van probleemgevallen.

Het kinderdagverblijf is en mag geen verkapte school zijn, noch een vooruitgeschoven hulpverlenerspost.

Dat is ook niet wat ouders ervan verwachten. De meeste Nederlandse ouders, zo blijkt uit recent onderzoek, zijn tevreden over zichzelf als opvoeder en zien zich ook als hoofdverantwoordelijke als het om het welzijn van hun kind gaat. Een crecheleidster met de deskundigheid van de hulpverlener is in hun ogen nauwelijks gewenst. En een surrogaatmoeder is niet nodig. “Toch moet de opleiding van leidsters beslist worden verbeterd', meent Singer. “Nu ben je te vaak afhankelijk van de individuele kwaliteiten van een groepsleidster en kan er zelfs in een overigens goede creche een groep de mist in gaan.

Behalve dat de overheid belang hecht aan de vernieuwing van de pedagogiek en geld steekt in de bouw van nieuwe kinderopvang, zou ze ook de regeling voor ouderschapsverlof moeten verbeteren. Dat moet langer kunnen worden opgenomen en doorbetaald. Want de creche is niet voor iedere ouder een alternatief. En niet ieder kind gedijt binnen het dagverblijf.' Maar dat weet je nog niet bij de verwekking.