Voettocht naar de EU: 700 mark

Het toegenomen aantal vluchtelingen uit Kosovo stelt veel Europese landen voor problemen. Dat geldt vooral voor Hongarije: de Kosovaren pogen met behulp van mensen- smokkelaars via Hongarije de EU binnen te komen.

Ahmet Rrustemi is neuroloog, Kosovaar en verzetsman. Als hij geen gezin had gehad zou hij zeker in Kosovo zijn gebleven om te vechten tegen de Serviers. Zijn jongste zoontjes dragen trotse namen als Demukrat en Patrijot.

Ahmet is achtendertig en heeft de laatste drie jaar in een Servische gevangenis doorgebracht. In augustus wist hij te ontsnappen. Een paar dagen later meldde het gezin Rrustemi zich zonder papieren aan de Joegoslavisch-Hongaarse grens. Ze slopen tegen betaling in het holst van de nacht de `groene grens' over. Ahmet kostte vijfduizend mark, zijn vrouw Fetije en de kinderen samen drieduizend. Hun gids was een Kosovo-Albanees.

Rrustemi spreekt gebroken Duits. Hij weet wat er in de wereld te koop is en heeft in Hongarije onmiddellijk politiek asiel aangevraagd. Hij denkt dat hij een goede kans maakt. Tenslotte heeft hij niet voor niets drie jaar gevangen gezeten.

Maar hij weet dat de Hongaren de afgelopen maanden niet erg scheutig zijn geweest met het verlenen van politiek asiel. Zelfs niet aan vervolgde Kosovo-Albanezen. Het vluchtelingenkamp Bicske even buiten Boedapest biedt onderdak aan vierhonderd vluchtelingen uit de hele wereld. De Kosovaren vormen de grootste groep. De afgelopen drie maanden heeft niemand hier asiel gekregen.

Als het niet lukt gaat Ahmet op eigen gelegenheid verder. “Geld speelt geen rol', zegt hij als we koffie drinken in hun tijdelijke behuizing, een bedompte kamer met drie kale bedden en een kast in het midden bij wijze van afscheiding. Demukrat en Patrijot hangen verveeld in blauwe trainingspakjes over een bed. Ze zijn zes en zeven jaar oud.

Het vinden van een contact om illegaal over de grens naar Oostenrijk te komen blijkt niet moeilijk.

Een groot deel van de vluchtelingenpopulatie in Bicske heeft het al eens geprobeerd. Ze zijn gesnapt en wachten tot ze genoeg geld bij elkaar hebben voor een volgende poging. Mensensmokkelaars met mobiele telefoons zijn op afroep beschikbaar. Ze ronselen handlangers binnen de hekken van het kamp die honderd mark kunnen verdienen als ze een succesvolle transactie aandragen.

Bicske is het territorium van een Kosovo-Albanees die met een Nederlandse nummerplaat rondrijdt. Hij hanteert twee tarieven. Zevenhonderd dollar voor een voettocht naar Oostenrijk, 2.020 mark voor een comfortabele autorit. Hij biedt zelfs een `niet-goed-geld-teruggarantie'. Wie gesnapt wordt aan de grens kan na terugkeer in het kamp zijn geld terugkrijgen.

Op de vraag hoeveel Kosovo-Albanezen en andere vluchtelingen erin slagen de groene grenzen van Hongarije over te glippen, haalt politieman Attila Krisan zijn schouders op. De woordvoerder van de Hongaarse grenspolitie zit achter een stapel statistieken en wordt er niet vrolijk van.

De Hongaren houden het erop dat ze zestig procent van de illegalen weten te snappen. Het is een slag in de lucht, want niemand weet precies hoeveel vluchtelingen Hongarije binnenkomen en verlaten. Aan de Hongaars-Joegoslavische grens zijn de eerste tien maanden van dit jaar 585 mensen opgepakt die het land illegaal binnen wilden komen. Aan de Hongaars-Slowaakse grens en aan de Hongaars-Oostenrijkse grens werd een veelvoud daarvan gesnapt die het land wilden verlaten. Waar komen die allemaal vandaan?

De Hongaren staan onder grote druk want ze moeten zo snel mogelijk aan de Schengen-eisen voldoen wat de grenscontrole betreft. En dat betekent dat ze een ondoorlaatbare muur moeten oprichten tegen de stroom asielzoekers en economische vluchtelingen die hun geluk in West-Europa willen beproeven.

Ze doen hun best en de opvangcentra voor illegalen puilen uit. Krisan zit met de situatie in zijn maag. “Eerlijk gezegd is het voor ons heel moeilijk om aan die eisen te voldoen. Hoe beter we de grenzen bewaken, hoe meer mensen wij moeten opvangen. En daar is geen geld voor.'

Hongarije heeft sinds begin dit jaar een nieuwe vluchtelingenwet. Asielaanvragen verliepen tot dat moment via het Hoge Commissariaat voor de Vluchtelingen van de VN (UNHCR) in Hongarije. Onder UNHCR-leiding werd begin jaren negentig een oplossing gevonden voor de stroom vluchtelingen uit het naburige Kroatie en Bosnie. Zij kregen een tijdelijke vluchtelingenstatus in Hongarije en zijn inmiddels allemaal weer terug naar hun land van herkomst.

Bij de nieuwe golf vluchtelingen uit Kosovo staat het Hongaarse ministerie van Binnenlandse Zaken er alleen voor. Istvan Dobo, hoofd van de afdeling voor vluchtelingen en migratie van het ministerie, ziet nog geen reden voor het herinvoeren van een tijdelijke vluchtelingenstatus, nu voor de Albanezen uit Kosovo. “Er zitten te veel economische migranten bij' vindt hij. “Hoe kan het anders dat veel mensen uit Kosovo die hier asiel aanvragen jonge mannen zijn, die zogenaamd voor de oorlog zijn weggevlucht. Laten ze soms hun vrouwen en kinderen in de oorlog achter?' Hongarije heeft eenvoudigweg de middelen niet om al deze mensen op te vangen, betoogt Dobo. Wel onderstreept hij dat Hongarije zijn humanitaire plicht doet en geheel volgens de boekjes handelt.

Mensenrechtenorganisaties als het Hongaarse Helsinki Comite bestrijden dat. Voorzitter Ferenc Koszeg heeft de indruk dat er op dit moment voor de zekerheid helemaal geen asiel wordt verstrekt aan Kosovo-Albanezen in Hongarije, hoewel het aantal aanvragen de afgelopen maanden meer dan vertienvoudigd is.

Hij protesteert ook fel tegen de gewoonte van de Hongaarse autoriteiten om illegalen uit Joegoslavie (onder wie de Kosovaren) terug te sturen als ze papieren hebben. Maar ook Koszeg ziet de financiele problemen van de Hongaarse overheid. “Het Westen zou de middelen moet verstrekken om hier in Hongarije tijdelijke opvang voor gevluchte Albanezen uit Kosovo te organiseren.'