Spierballentaal mist uitwerking

Na de forse daling van de geldmarktrentes in de vorige verslagweek bleven de mutaties deze week beperkt. Het belangrijkste tarief op de geldmarkt de 3-maands interbancaire rente, bleef ten opzichte van een week geleden stabiel op 3,28 procent.

De 1-maands interbancaire rente (3,20 procent) ligt echter nog steeds onder het speciale beleningstarief van 3,30 procent. Dat wijst erop dat marktpartijen de mogelijkheid van een renteverlaging open houden.

De stabiliteit van de geldmarkttarieven betekent dat de spierballentaal van enkele vooraanstaande Europese politici de geldmarkt niet verder kon imponeren. Tijdens de informele Europese top in het Oostenrijkse Portschach kon de Franse premier Jospin zijn voorkeur voor een lagere Europese rente niet onderdrukken. Daarnaast stak de aankomend Duitse minister van Financien Lafontaine zijn wens voor een lagere rente in core-Europa (Duitsland, Frankrijk, Benelux, Oostenrijk) evenmin onder stoelen of banken.

Sinds de rentestappen van de Amerikaanse centrale bank wordt gespeculeerd over een renteverlaging in core-Europa. Dat zou een al te forse afzwakking van de economische groei voorkomen en de werkgelegenheid stimuleren. President Duisenberg van de Europese Centrale Bank heeft de betrokken Europese politici al opgeroepen zich bij hun leest te houden door te zorgen voor reductie van de overheidstekorten.

In de aanloop naar de Economische en Monetaire Unie en na de totstandkoming van een nieuwe Italiaanse regering verlaagde de centrale bank van Italie deze week het discontotarief met 1 procentpunt tot 4,0 procent. Eerder deze maand verlaagden ook de Ierse, Spaanse en Portugese centrale bank hun officiele rentetarieven. Deze zijn hiermee weliswaar fors geconvergeerd met de tarieven in core-Europa, maar liggen daar nog steeds, in meer of mindere mate, boven. Omdat core-Europa de rente vrijwel zeker niet zal verlagen, zullen de perifere landen in de komende twee maanden, in meer of mindere mate, dan ook extra rentestappen moeten nemen.

De weekstaat vertoont een vertrouwd beeld. De geldmarkt werd verruimd door een grotere speciale belening (596 miljoen gulden) en een geringe afname van de bankbiljettencirculatie (59 miljoen gulden).

De extra middelen sloegen neer in een toename van de kasreserves (659 miljoen gulden). Daarnaast zijn er speciale trekkingsrechten (SDR's) verkocht (182 miljoen gulden) aan andere landen, hetgeen zichtbaar is in de post 'vorderingen op het IMF'. In ruil hiervoor zijn vreemde valuta's ontvangen.