`Prima kisten, maar in de oorlog te langzaam'; Salto Mortale, Fokker in bedrijf 1911-1996

Bij het bankroet van vliegtuigfabriek Fokker in 1996 zijn de restanten van het foto-archief ternauwernood gered. Een deel van de unieke foto's verschijnt binnenkort in een boek, samen met interviews over de historie van de vliegtuigbouwer, over vliegen en vliegtuigen. Een voorpublicatie.

“We hadden bij de Luchtvaart-Afdeling te veel ouderwetse kisten die met hun vaste onderstel te langzaam waren, maar het heeft nu eenmaal weinig zin op een oud toestel een intrekbaar landingsgestel te zetten. Toen het ernst werd, konden we met die Fokkers dan ook niet veel uitrichten. Ze brachten gewoon te weinig. Als vliegers hadden we best wel eens andere, modernere toestellen willen hebben, alleen hadden wij het niet voor het zeggen. Die beslissing werd ergens anders genomen. Toen ik in 1937 de eerste Fokker G.I-jachtkruisers van Schiphol naar vliegveld Soesterberg overvloog, golden die als heel bijzonder. In de eerste plaats door hun twee staarten, dat was iets nieuws, in de tweede plaats waren ze snel en wendbaar. Het was een voor die tijd betrekkelijk grote machine een tikkeltje groter dan de latere Gloster Meteor. In totaal waren er zesendertig van besteld en eindelijk kregen we moderne toestellen. We zagen dat als een vooruitgang, gezien al die andere ouderwetse kisten. Dat was heel frustrerend.

“Als jonge tweede luitenant heb ik zelfs nog op Fokkers uit de Eerste Wereldoorlog gevlogen, een C.I-verkenner en een D.VII-jachtvliegtuig. Vooral de D.VII stond hoog aangeschreven, zo snel en zo wendbaar. Het was ook een heel plezierig toestel, waarmee je goed kon stunten, maar het was wel verouderd. Andere Fokkertoestellen - we hadden bijna alleen Fokkers - waarmee ik in die tijd heb gevlogen waren de S.IV, een lestoestel waarop ik het heb geleerd, de C.V, de C.X en de D.XXI. Met een C.X-verkenningsbommenwerper is mijn neef Gerhard Sandberg tijdens een demonstratievlucht in Turkije verongelukt. De D.XXI was een eenmotorig jachtvliegtuig met als bezwaar dat het niet snel genoeg was omdat het geen intrekbaar landingsgestel had, dat scheelt enorm.

“Verder heb ik op de T.V gezeten, een tweemotorige bommenwerper waarvan we er bij de Luchtvaart-Afdeling twaalf hadden. Het kunnen er ook zestien zijn geweest, in ieder geval niet genoeg om er een oorlog mee te winnen. Lang hebben ze het trouwens niet volgehouden, de meeste zijn al direct in het begin van de oorlog door de Duitsers kapotgeschoten.

“Voor mij was de G.I het beste, modernste jachtvliegtuig waarmee ik tot dan had gevlogen. Je kon er alles mee doen, loopings, rolls, vrilles, dat ging heel goed. Het maakte met z'n twee stermotoren weinig herrie ongeveer als een Dakota, een keurig lawaai. En als het nodig was, kon je op een motor vliegen. Bovendien was het zwaarder dan normaal bewapend met acht mitrailleurs in de neus en een achterin die door de waarnemer werd bediend. Alles bij elkaar was er een flinke concentratie aan vuurkracht. Een ander pluspunt was het intrekbare landingsgestel. Ik heb een keer meegemaakt dat, toen ik wilde landen, een wiel bleef hangen. Ik heb daarop ook het andere wiel opgehaald en een buiklanding gemaakt. Alleen de propellers waren beschadigd.

“Op zich waren het prima kisten, die Fokkers, zeker om te oefenen, maar in oorlogstijd waren ze te langzaam. Dat gold eveneens voor de G.I's die niet snel genoeg waren zeker niet zo snel als de Messerschmitts, en dat terwijl ze net twee, drie jaar oud waren. Desondanks hebben we het niet eens slecht gedaan in aanmerking genomen hoeveel toestellen al bij de eerste aanval door de moffen in de poeier waren geschoten.

“Toen de oorlog uitbrak, was ik op een vliegveld bij Bergen in Noord-Holland gelegerd, dat kort tevoren in gebruik was genomen. Daar maakte ik deel uit van de vierde jachtvliegtuigafdeling, de 4de JaVA.

We stonden dag en nacht klaar om op te stijgen, 's nachts sliepen we in ons uniform, maar na het verrassende Duitse bombardement waren er nauwelijks toestellen over. Ik kon niets doen, omdat mijn kist was beschadigd en pas in de loop van de dag gerepareerd zou worden. Het kan ook zijn dat ik een andere G.I heb gekregen. In ieder geval ben ik naar Schiphol gestuurd, waar de moffen al hadden huisgehouden. Daar kreeg ik opdracht om met nog een andere G.I een T.V-bommenwerper te beschermen die de Moerdijkbrug moest bombarderen.

“Bij de eerste raid miste de bom het doel en bleef naast de brug staan zonder te exploderen. Toen we het voor een tweede keer probeerden werden de bommenwerper en de andere G.I in de buurt van Ridderkerk neergeschoten. Voor mij zat er niets anders op dan naar Schiphol terug te vliegen, waar ik verslag uitbracht. Het was heel akelig, allen waren goede vrienden.

“In de daaropvolgende dagen ben ik nog een paar keer de lucht in geweest om een een aantal Fokker C.V-verkenningsbommenwerpers en andere toestellen te escorteren. Alleen viel er niet veel meer te begeleiden, het werden er steeds minder, bijna alle D.XXI's waren uitgeschakeld. Er stonden er nog een stuk of tien vijftien aan de grond, wat veel lijkt. Maar als je die honderden Duitse toestellen in de lucht zag, was het niets.

“Er zijn toen heel veel goede vrienden van mij gesneuveld. Dat blijft je altijd bij, ook al heb ik het verdrongen. Het is niet goed daar elke dag mee bezig te zijn, het heeft geen zin voortdurend over het verleden te praten, terwijl we nu toch in vrede leven. Je moet uitkijken dat je niet in die oorlog blijft hangen. Ik praat er niet graag over, omdat ik dan gedwongen word eraan terug te denken, en dat wil ik niet.'