Haags Gemeentemuseum biedt puur genot

Morgen opent het mooiste museum van Nederland na een ingrijpende restauratie zijn deuren voor het publiek. Het is puur genot om te dwalen door het Haagse museum van Berlage. Hier leidt niets af van datgene waar het om gaat, de kunst.

De lange glazen gang, die tussen het gladde wateroppervlak van twee vijvers leidt naar de monumentale hal, maakt het meteen duidelijk: de bezoeker steekt over van hier, de wereld van alledag naar daar, een helder en bijna sacraal museum.

In de grote zalen op de eerste verdieping creeert een zacht en getemperd daglicht, binnenvallend door daklichten, de ideale omstandigheden voor het bekijken van schilderijen. Overal in dit museum is het licht weer anders. In de de galerijen aan de voorkant van het gebouw schijnt de zon zelfs onbelemmmerd naar binnen en tovert regenboogkleuren op het tincraquele van een lichtpaarse glazen schaal van A.D.Copier.

De prachtige ritmering van donkere plinten, patronen in tegelvloeren en vensters met messing kozijnen is in volle glorie hersteld, en de eindeloze aandacht die Berlage besteedde aan details, tot en met de afwerking van hoeken in de plafonds, is weer zichtbaar. Er is ondergronds een kostuumafdeling gekomen, en de depots zijn geheel vernieuwd.

Ter gelegenheid van de heropening en als hommage aan de architect is een tentoonstelling gewijd aan de interieurontwerpen van H.P Berlage. Er zijn forse eikenhouten meubelstukken te zien die ogen als miniatuurbouwwerken, zoals een tekeningenkast met zwaar ijzerbeslag. Ook interieurs, compleet met glas, keramiek, pendules, lampen, kachels tapijten en eetserviezen, alles in een stijl die een fascinerende mengeling is van traditioneel, boersig `oudhollands' en de versobering van de Nieuwe Zakelijkheid.

De afdelingen muziekinstrumenten en kunstnijverheid zijn fraai ingericht op de begane grond. Sommige delen van deze collecties zijn speciaal uitgelicht, zoals de verzameling zilver (de grootste ter wereld op dit gebied) uit de tijd van de Verenigde Oostindische Compagnie.

De schilder- en beeldhouwkunst bevinden zich op de bovenverdieping. Een hoogtepunt is de zaal met acht schilderijen van de belangrijkste vertegenwoordiger van de Haagse School, Jan Hendrik Weissenbruch.

De vier grote landschappen geven zijn ontwikkeling weer, van verhalende details naar steeds meer aandacht voor atmosfeer en licht, en naar een steeds vrijere penseelvoering. Ooit, bij de opening van het museum in 1935, waren ze door de toenmalige directeur Van Gelder precies zo opgehangen. Het laatste `Strandgezicht', uit 1901, is van een adembenemende openheid: de lucht is expressief geschilderd in grote grijze en hier en daar wit oplichtende vlekken, het zeil van het op het strand getrokken schip is niet meer dan een vluchtige contour, alles is van een pure transparantie terwijl de illusie van strand en zee en wolkenlucht toch overweldigend is.

Ook Jongkind kreeg speciale aandacht in de inrichting, evenals Jozef Israels, en de gebroeders Maris vullen samen een zaal. Een ander hoogtepunt is het schoongemaakte doek van Breitner `De Zandhoek te Amsterdam' (1903), een winters stadsgezicht. De lucht boven de rij grachtenpanden blijkt licht oranjeroze te zijn in plaats van grijs; het is het stille namiddaguur vlak voor zonsondergang waarvan de warme gloed het hele beeld doorstraalt.

Dit alles is de juiste opmaat voor het werk van Mondriaan. Te oordelen naar zijn vroege landschappen heeft Mondriaan de nachtbeelden van Jongkind, met die stille maan en de heldere glans van het maanlicht op het roerloze water nauwkeurig bestudeerd; en ook de bijna abstracte, kubusvormige loodsen en het raster van de gevelrij in Breitners `Zandhoek'. Na Mondriaans meer abstracte landschappen, na de kubistische appelboom, en de `Damborden' komen we dan via zijn neoplastische werk uiteindelijk terecht bij de ikoon die het Haags Gemeentemuseum in de komende maanden waarschijnlijk zal veranderen in een bedevaartsoord: de Victory Boogie Woogie, het opvallend grote jazzschilderij dat zo levend is als een schilderij maar kan zijn.

Het is jammer maar het moet worden gezegd: wat volgt op deze zalen die zo overwogen zijn ingericht, valt bar tegen. De samenhang in de presentatie is verdwenen. De kabinetten en zalen zijn gewijd aan individuele kunstenaars, waarvan de zaal die JCJ van der Heyden zelf inrichtte als een soort retrospective het opvallendst is. Co Westerik, Constant, Carel Visser, Frank van Hemert - het zijn evenzovele kunstenaars die niets met elkaar te maken hebben.

Er heerst hier een willekeur die de suggestie wekt dat dit museum zich niet met de eigentijdse kunst geengageerd zou hebben. Die suggestie is niet juist. Al dertig jaar geleden bijvoorbeeld kocht het museum werken aan van bijvoorbeeld Carl Andre en Sol Lewitt, maar die zijn nu niet te zien.

Directeur Hans Locher heeft natuurlijk gelijk wanneer hij zegt dat veel van de hedendaagse kunst, zoals video en installaties, moeilijk in het gebouw van Berlage kan worden getoond. Daarom is het te hopen dat het museum de beschikking kan krijgen over de Schamhart-dependance. Het Haags Gemeentemuseum heeft wat betreft de kunst van de eigen tijd een traditie hoog te houden. Het is een engagement dat belangrijk is voor het leven van dit museum, en dat aansluit bij de geest waarin het ooit is gebouwd.