Een wereldmacht erbij; De internationale rol van de euro

Met de komst van de euro verliest de dollar zijn rol van veruit de belangrijkste valuta in het internationale geldverkeer. Dat betekent ook een grote verantwoordelijkheid van euroland en de Europese Centrale Bank voor de wereldeconomie in haar geheel.

ECB-president Duisenberg heeft duidelijk gemaakt dat ook op dat vlak prijsstabiliteit voor hem het leidende beginsel is. Het Internationaal Monetair Fonds (IMF) beschouwt de zone van de euromunt al als een economisch gebied. In de vorige maand gepresenteerde World Economic Outlook geeft de belangrijkste financiele instelling ter wereld haar economische voorspellingen voor de `euro-11' als geheel.

Uit de prognoses blijkt dat deze elf landen die vanaf 1 januari a.s. aan de euro meedoen volgend jaar met 2,8 procent groei (2 procent voor de VS) de snelst groeiende industriele economie ter wereld vormen. Is de eurozone een oase van rust of een laatste dominosteen in een wereld van financiele turbulentie? Het antwoord zal mede afhangen van het beleid van de Europese regeringen en de Europese Centrale Bank (ECB).

Euroland neemt binnenkort formeel zijn plaats in de belangrijke wereldfora in. Vorige maand woonde president Duisenberg van de ECB voor het eerst in die functie een vergadering van ministers en bankpresidenten van de zeven belangrijkste industrielanden (G7) bij. Het wereldgeldstelsel zal straks vooral door euro en dollar worden bepaald. De yen zal alleen al door de relatief geringere omvang van de Japanse economie een ondergeschikte rol spelen.

Euroland krijgt als vanzelf een verantwoordelijkheid die veel verder gaat dan de eigen economie. De Franse minister van Financien, Strauss-Kahn, was daar vorige maand tijdens de jaarvergadering van IMF en Wereldbank in Washington nog het duidelijkst over: “De afgelopen jaren heeft de Europese Unie zich vooral gewijd aan de totstandkoming van de uniforme munt. Nu moet zij zich meer manifesteren op het internationale economische podium.'

Waar Frankrijk met zijn frank op het wereldtoneel weinig meer voorstelt, kon de Franse minister in Washington euroland als een nieuwe economische wereldmacht presenteren.

Iets wat hij met graagte deed. “De euro zal weldra met de dollar een van de belangrijkste transactie- en reservemunten in de wereld vormen. Wij moeten de euro gebruiken om stabielere internationale monetaire relaties op te bouwen, gebaseerd op een nauwere samenwerking tussen de belangrijkste internationale economische zones' aldus Strauss-Kahn.

ECB-president Duisenberg gaf vorige week in een lezing in Berlijn enkele cijfers om de internationale rol van de euro te illustreren. Tot nu toe is de Amerikaanse dollar de belangrijkste reservemunt. Eind 1996 had de dollar een aandeel van 64 procent in de wereldwijde monetaire reserves van centrale banken, terwijl het aandeel van de munten van de toekomstige eurozone op 25 procent lag en dat van de Japanse yen op slechts 6 procent.

De algemene verwachting is dat veel staten hun monetaire reserves meer zullen diversifieren. Dat geldt niet alleen voor landen die hun eigen munt geheel of gedeeltelijk aan de euro willen koppelen, zoals Scandinavie, Oost-Europa en de Afrikaanse franczone. Ook de reserves van bijvoorbeeld centrale banken in de Aziatische landen zullen meer in euro's gaan luiden. Zo heeft China zich al in deze zin uitgelaten. In de Aziatische regio is men er ook om politieke redenen niet ongelukkig mee dat zich een alternatief aandient voor de dominantie van de dollar.

De internationalisering van de rol van de euro zal echter vooral worden bepaald door de particuliere sector en door het gebruik van de munt in de transactiesfeer. Ook op dit punt zijn enkele interessante cijfers voorhanden. Bij alle wereldwijde transacties in contanten zijn aan een kant in 71 procent van de gevallen dollars betrokken. Voor de munten van de toekomstige eurozone ligt dat percentage al op 68.

Het aandeel van de dollar stijgt tot 80 procent, wanneer de handel in financiele derivaten wordt meegeteld. Verder lag eind juni van dit jaar het aandeel van de Amerikaanse dollar in het volume aan internationale leningen en schuldtitels op 46 procent. Voor de munten van de toekomstige eurozone was dat 24 procent en voor de yen 11 procent.

Alles wijst erop dat het belang van de euro zal groeien ten koste van de dollar. Een aanwijzing vormt de ontwikkeling die zich al sinds de jaren tachtig op de beleggingsmarkten heeft voorgedaan. Zo nam het aandeel van de dollar in particuliere beleggingsportefeuilles in de hele wereld tussen 1981 en 1995 af van 67 tot 40 procent, terwijl dat van de Europese munten van 13 tot 37 procent groeide. De introductie van de euro, en daarmee van een meer geintegreerde Europese beleggingsmarkt zal deze tendens verder versterken.

Wanneer de euro eenmaal is ingevoerd tellen transacties tussen de eurozonelanden onderling natuurlijk niet meer mee. Maar volgens Duisenberg zal deze teruggang op den duur worden gecompenseerd door de groei van de internationale handel en het gebruik van de euro voor handelstransacties door derde landen.

Duisenberg herinnerde er overigens aan dat het sinds eind vorige eeuw decennia duurde voordat de dollar de rol van het Britse pond had overgenomen. “De euro zal zich inderdaad tot een internationale munt ontwikkelen, waarbij het tempo per sector verschilt', aldus Duisenberg. Daarbij blijft natuurlijk overeind dat de internationale rol van de euro altijd nauw samenhangt met de hardheid van de munt en daarmee met de onafhankelijkheid van de ECB.

De afgelopen weken hebben al voor een oplaaiend intern Europees debat over een en ander gezorgd.

In Bonn, Parijs en elders klinkt steeds luider de roep om een forse renteverlaging om een recessie te voorkomen en de in veel Europese landen nog zeer hoge werkloosheid terug te dringen. Het monetaire beleid zou zich dus minder op prijsstabiliteit en meer op stimulering van vraag en groei moeten richten.

En over het wisselkoersbeleid ontstond vorige week een openlijk conflict tussen Duisenberg en de nieuwe Duitse minister van Financien, Lafontaine. De laatste pleitte voor het vaststellen van targetzones waarbinnen de koers van dollar en euro zich zouden moeten bewegen. Volgens het Verdrag van Maastricht is het monetair beleid de verantwoordelijkheid van de ECB, maar behoort het wisselkoersbeleid de politici toe. Met de nog altijd hoge Europese werkloosheid zou de politieke roep om een minder sterke euro wel eens krachtiger kunnen worden.

Ook in de Verenigde Staten bestaan verschillen van opvatting over het beleid van de Federal Reserve (het stelsel van Amerikaanse centrale banken), maar deze zijn toch minder geprononceerd dan in euroland. De meest voor de hand liggende reden is dat de eurozone uit verschillende nationale staten bestaat. In euroland lijkt bovendien na de sociaal-democratische verkiezingsoverwinning in Duitsland de neiging groter te knabbelen aan de onafhankelijkheid van de ECB.

Duisenberg maakte vorige week duidelijk dat voor de ECB de bestrijding van inflatie boven alles gaat. Al het andere is daaraan ondergeschikt. “Het allesoverheersende doel van de ECB is het waarborgen van de prijsstabiliteit in de eurozone', zei hij. “Er zijn geen plannen het internationale gebruik van de euro te bevorderen, de euro als instrument van buitenlandse politiek in te zetten of met de Amerikaanse dollar te concurreren.'

Het `sturen' van de wisselkoers stuit bovendien nog op het praktische probleem dat door het vrije kapitaalverkeer de invloed van centrale banken beperkt is. Hieruit valt ook te verklaren waarom coordinatie tussen de drie belangrijkste economische machtsblokken de afgelopen jaren nogal vrijblijvend is geweest.

Volgens Duisenberg kan de wisselkoers van de euro slechts het resultaat zijn van economisch beleid en geen doel op zichzelf. Hij waarschuwde dat een wisselkoersdoel mogelijk niet te verenigen is met prijsstabiliteit. Dus geen goedkope euro om de export en daarmee de werkgelegenheid op korte termijn te bevorderen omdat uiteindelijk de inflatie (door een duurdere import) zal toenemen.

Het wisselkoersbeleid is voor de ECB onderdeel van een reeks financiele en economische factoren. Dat betekent volgens Duisenberg dat geen sprake zal zijn van wat in de VS wel wordt aangeduid als benign neglect van de munt: de koers aan zijn lot overlaten, wat neerkomt op laten wegzakken van de munt. In de VS heeft die neiging altijd bestaan. Een goedkope dollar bevordert tenslotte de export. Het gevaar van import van inflatie is niet al te groot, omdat de import relatief gering is ten opzichte van de omvang van de gehele Amerikaanse economie.

Veel Europese politici zullen dezelfde neiging vertonen. Ook euroland is een relatief gesloten economie, die voornamelijk handel met zichzelf drijft. Het gevaar van inflatie bij een zwakke euro hoeft dus niet al te groot te zijn.

Wanneer zowel euroland als de VS een neiging tot benign neglect vertonen, kan dat leiden tot forse schommelingen in de wisselkoersverhoudingen. En die hebben gevolgen voor veel meer dan alleen de direct betrokken landen.

Van de zijde van het IMF is al meermalen op deze internationale verantwoordelijkheid van de grote handelsblokken gewezen.

De door Duisenberg geformuleerde inflatiedoelstelling van minder dan 2 procent ligt zelfs nog onder wat de monetair zeer strikte Bundesbank jarenlang wist te bewerkstelligen. Het debat van de afgelopen weken tussen de ECB en Europese politici zal dan ook ongetwijfeld nog veel vaker oplaaien. Duisenberg zal al zijn evenwichtskunst nodig hebben. Het is bepaald niet denkbeeldig dat het door hem bepleite stringente monetaire beleid van politieke zijde wordt ondermijnd door een keynesiaanse versoepeling van het begrotingsbeleid in diverse landen. Hier en daar klinken al geluiden om het Stabiliteitspact, dat het begrotingstekort aan een maximum van drie procent bindt, te versoepelen.

Evenwichtskunst is ook nodig indien euroland zijn nieuwe verantwoordelijkheid voor de wereldeconomie als geheel wil waarmaken. Tijdens de recente jaarvergadering van IMF en Wereldbank in Washington deden veel landen een beroep op zowel de VS als de EU-lidstaten de rente snel te verlagen om het gevaar van een recessie af te wenden. Tot nu heeft de Federal Reserve de rente twee keer iets verlaagd. Met het oog op het toekomstige euroland zullen alleen de landen met een hoge rente (o.a. Italie en Spanje) hun rente verlagen tot het lage niveau van Duitsland, Nederland en Frankrijk (3,3 procent). Het ziet er niet naar uit dat de Bundesbank haar tarieven nog voor 1 januari naar beneden brengt.

Vice-president van de Bundesbank Jurgen Stark verwierp deze week nog eens het pleidooi van Europese politici met een soepel monetair beleid de werkloosheid te bestrijden. Zulke ideeen gaan volgens hem voorbij aan de structurele oorzaken van de hoge Europese werkloosheid.

Hij bestreed ook de sombere voorspellingen van sommige politici over een naderende wereldwijde recessie.

ECB-president Duisenberg erkent dat de impact van de Europese economie op de rest van de wereld na invoering van de euro groter zal zijn dan tot nu het geval was. “Verhoogde synchroniteit van de conjunctuurontwikkeling binnen de eurozone [die o.a. met een uniform geldbeleid en gemeenschappelijke wisselkoers samenhangt] en de grootte van gebied zullen ertoe leiden dat economische ontwikkelingen in de eurozone wereldwijd van aanzienlijke invloed zijn', aldus Duisenberg.

De ECB-president wees op een interessant mechanisme dat er haast vanzelf toe zal leiden dat de grote industriele blokken meer verantwoordelijkheid voor de wereldeconomie als geheel op zich zullen nemen. Zo zal euroland vanaf 1 januari door zijn economisch gewicht meer op gelijke voet staan met de VS en Japan. Dat betekent dat ze ook ongeveer in gelijke mate door mogelijke gevolgen van instabiliteit worden getroffen. Duisenberg: “Hun belang om op een bepaald moment een groter deel van de verantwoordelijkheid voor de sturing en verhindering van instabiliteit op zich te nemen, kan daardoor groter worden.'

Intussen lijkt tussen de `euro-11' consensus te zijn ontstaan over de manier waarop het gebied in internationale fora moet worden vertegenwoordigd. Eerder was al duidelijk dat in elk geval de president van de ECB zal optreden als vertegenwoordiger van euroland bij het IMF en de G7. De nieuwe Duitse regering steunt nu ook het Franse voorstel de fungerend voorzitter van de `euro-11', de groep van ministers van Financien van de eurolanden, als vertegenwoordiger te laten optreden.

Daarmee krijgt de ministersgroep van de `euro-11' meer gewicht dan de vorige Duitse regering van bondskanselier Kohl wenste.

Juist om de onafhankelijkheid van de ECB te waarborgen moest volgens Duitsland gesteund door Nederland, de `euro-11' een informele groep blijven. Ook hier zal veel van de evenwichtskunst worden gevraagd van de bestuurders van de ECB en de politici in euroland. De coordinatie van economisch en financieel beleid binnen de eurozone zal toch al moeilijk genoeg zijn omdat de nationale staten verantwoordelijk blijven voor het fiscale en arbeidsmarktbeleid.

Voor Duisenberg staat in elk geval vast wat de ECB in internationaal verband te doen staat. Nog een keer Duisenberg: “In betreffende fora bestaat de taak van de ECB erin in haar bijdrage aan het internationaal debat over basisvragen duidelijk te maken, dat het belangrijkste doel de waarborging van prijsstabiliteit is en dat het bereiken van dit doel op lange termijn tegelijkertijd de beste bijdrage is die zij kan leveren tot waarborging van de stabiliteit van internationale ontwikkelingen.'