Dia de Finados

“Bij ons in Portugal', zegt Isabel, “ligt het kerkhof boven het dorp. Ze begint de begraafplaats te beschrijven: een vierkant hof met witte buitenmuren waaromheen cipressen staan. Een roestig hek biedt toegang. Het pad erheen is steil. In het midden van het hof ligt een verdroogd grasveld waarin kniehoge ijzeren kruisjes gestoken zijn. Alle doden van Isabels dorp worden eerst in deze grond begraven. Wie geen kruisje kan betalen, krijgt een houten paaltje met een nummer.

Omdat het bestuur het kerkhof niet wil uitbreiden, graaft men de doden al na zeven jaar weer op. De nabestaanden krijgen een uitnodiging. Ze staan rond het van tevoren gegraven gat en huilen ongeremd. De doodgraver laat zich in de kuil zakken en haalt boven wat hij vindt. Van de kist is nooit iets over. Van de dode worden soms haren of schoenen herkend. Bij het opgraven van Isabels grootmoeder trok de graver een kous te voorschijn waar de botten nog inzaten. Isabel had het op een rennen gezet.

Na het opgraven worden de resten van de dode bijgezet in een nis van een van de bovengrondse knekelhuisjes die tegen de binnenzijden van de hofmuren zijn gebouwd. Een verticaal geplaatste dekplaat met naam, jaartallen en foto sluit de nis af. Op een richel is plaats voor een vaas, een rood elektrisch lampje, kleurige plastic bloemen, een crucifix.

Sommige weduwen brengen iedere dag een bezoek aan de begraafplaats. In hun zwarte kleren scharrelen ze door het hof. Ze gieten een scheutje bleekwater in het bloemenvaasje om te voorkomen dat het water gaat stinken. Ze controleren de andere graven vullen vaasjes bij families die te ver wonen, poetsen fotootjes schoon en zetten omgewaaide beeldjes recht. Ze weten precies welke graven nooit bezocht worden en spreken daar schande van: je vergeet toch niet je vader of je moeder te bezoeken! De weduwen zijn een garantie voor het requiestat in pace, want verwaarloosde nissen worden geruimd en aan andere families gegeven.

Op de Dia de Finados, Allerzielen, is het druk op het kerkhof. Het hek staat de hele dag open. Bij de huisjes verzamelen zich groepjes familieleden. Ze schroeven de dekplaat los en tillen de kist uit zijn nis. De kisten zijn korter dan een lijkkist.

Hun lengte correspondeert met de lengte van het langste bot, het dijbeen. De deksel gaat open met een slot waarvan alleen de familie de sleutel bezit. Iedereen wordt uitgenodigd te kijken.

De botten en schedels zijn bruingekleurd. De familieleden bidden en slaan kruisjes. Isabel doet voor hoe haar tante de botten van oom liefkozend uit de kist tilt, ze afstoft de kist stofvrij maakt, de botten teruglegt en over de schedel aait. Sommige mensen wassen de beenderen. Een jonge vrouw uit het dorp borduurt ieder jaar een nieuw kleedje en schikt dat over het gebeente van haar zoon. Dan gaan de deksels weer dicht en op slot. De kisten worden in de nissen teruggeschoven tot volgend jaar.