Schoolleider concurreert met leraar

Door het lerarentekort hebben de lerarenbonden de wind mee bij de CAO-onderhandelingen morgen. Maar een nieuwe concurrent meldt zich: de schoolleider.

Ouders die plotseling vrij moeten nemen omdat de juf ziek is. Kleuterklassen van 45 kinderen, omdat het schoolhoofd bij gebrek aan vervangers de klassen heeft moeten spreiden. Overlast van het lerarentekort komt als geroepen voor de lerarenbonden, die morgen onderhandelen over de onderwijs-CAO met minister Hermans. Ze zetten hoog in: ruim 1,4 miljard gulden eisen ze voor loonstijging (3,5 procent), een eindejaarsuitkering (0,5 procent) en het inlopen van hun loonachterstand (1,75 procent). Twee keer zo veel als het kabinet biedt.

Wil de grootste werkgever van Nederland, de onderwijssector, voldoende goede leraren voor de klas krijgen, dan zal daar een goed salaris tegenover moeten staan en minder werkdruk, stellen de bonden. Het ministerie van Onderwijs verwacht over vier jaar een tekort van 27.000 onderwijzers en nog eens 17.000 leraren op middelbare scholen. Oorzaken zijn de klassenverkleining op basisscholen, vergrijzing van het lerarenkorps en het slechte imago van het lerarenberoep onder schoolverlaters. Salaris en carriereperspectieven in het bedrijfsleven spreken meer aan; het loon van leraren is de afgelopen achttien jaar 36 procent minder gestegen dan in de marktsector. Het hoogste salaris dat een onderwijzer kan verdienen (schaal 10) is 5.300 gulden bruto.

Tegenover de lange schoolvakanties staat dat leraren geen zogenoemde `dertiende maand' krijgen, zoals werknemers in het bedrijfsleven. De loonstijging voor het onderwijspersoneel (366.000 man) moet dus `marktconform' worden, vinden de bonden. Maar marktconform houdt ook in dat leraren worden beloond naar prestatie, zoals werknemers van veel bedrijven, waarschuwt de werkgeversorganisatie VNO/NCW. Paars II is het daarmee eens, zo blijkt uit het regeerakkoord.

Het kabinet heeft 215 miljoen gulden per jaar gereserveerd voor `competentiebeloning', ofwel sterke leraren beter betalen dan zwakke. De doodlopende steeg - een leven lang een vak geven op een school - van het lerarenberoep moet worden opengebroken. De verdeling van leraren in `starters', `ervaren' en `excellent' op grond van bepaalde vaardigheden, zoals het adviesbureau Berenschot voorstelt vindt Hermans “een zeer interessante gedachtegang', aldus zijn woordvoerder.

En daar willen de twee grote bonden, de Algemene Onderwijsbond (AOb) en de CNV Onderwijsbonden, juist niet aan beginnen. “Dan krijg je binnen een school scheve ogen en kunnen leraren slachtoffer worden van vriendjespolitiek', verwacht CAO-onderhandelaar van de AOb T. Rolvink. Hoe meet je bovendien de prestaties van een leraar, is de repliek van de tegenstanders. Goede cijfers van een klas zijn immers mede te danken aan de voorgangers van een leraar. De bonden willen hooguit praten over `loondifferentiatie': leraren die extra lessen geven of veel organiseren buiten de lesuren, zouden sneller dan collega's in een hoger salarisschaal moeten komen.

Maar er is een groep die daar anders over denkt: de basisschoolleiders. Voor het eerst werpen zij zich dit jaar op als concurrent van hun oud-collega's, de onderwijzers, tijdens de CAO-onderhandelingen. Basisschooldirecteuren, allemaal begonnen als onderwijzer, manifesteren zich als aparte groep met eigen belangen. Wat op middelbare scholen al gewoon is geworden, sluipt nu de basisschool binnen: niet de overheid maar de directeur is verantwoordelijk voor steeds meer beslissingen. Schoolbelang is niet langer synoniem aan lerarenbelang.

Neem de arbeidsverhoudingen.

Veel schoolhoofden willen die moderniseren. “Natuurlijk moeten goede leraren een bonus kunnen krijgen', vindt T. Duif, voorzitter van de Algemene Vereniging van Schoolleiders (AVS), die naast de lerarenbonden aan de onderhandelingstafel zit. “Voorwaarde is wel dat de schoolleiders voldoende tijd krijgen om de criteria voor extra beloning vast te stellen. Ze moeten ook ruimte krijgen voor functioneringsgesprekken. Dat is nu onmogelijk aangezien velen zelf nog drie dagen voor de klas staan.'

De 1,75 procent (435 miljoen gulden) `loonruimte' die de leraren voor het inhalen van hun loonachterstand over hebben, willen de schoolleiders juist besteden aan versterking van hun positie: nu moeten ze personeelsbeleid voeren, administratie bijhouden van deeltijdkrachten vervangers regelen en de onderwijskundige lijn uitzetten, zonder secretaresse.

Illustratief voor de botsende belangen is de onstuimige groei van de AVS. In 1995 telde de bond nog 200 leden, dit jaar 2.700. De schoolleiders verlaten de lerarenbonden omdat de AVS als enige bond opkomt voor uitsluitend hun belangen. Een aantal is lid van zowel de lerarenbond als de AVS, omdat ze volgens Duif in een spagaat zitten. “Als onderwijzer gun ik mijn collega's een dagje arbeidsduurverkorting (ADV) om te vissen. Maar als directeur ervaar ik dat als een ramp: wie moet dat gat vullen nu er zo'n enorm gebrek aan vervangers is?'