Pinochet moet juist door vreemde mogendheid worden berecht

In NRC Handelsblad van 23 oktober stond een artikel van Philip Bowring waarin de arrestatie van de voormalige Chileense dictator Pinochet hypocriet werd genoemd.

Philip Bowring is specialist in Zuidoost-Aziatische aangelegenheden en woont in Hong Kong. Dat betekent niet dat hij er over deze Spaans-Brits-Chileense kwestie geen verstandige mening op na kan houden, maar uit zijn stuk blijkt daar weinig van. Het wemelt van verkeerde informatie, onjuiste vergelijkingen en vooral van kromme redeneringen.

Voor zover Bowring een poging tot argumentatie doet, is die opgehangen aan de gedachte dat Chili verwikkeld zou zijn in een verzoeningsproces, vergelijkbaar met dat in Noord-Ierland of Zuid-Afrika en dat dat proces niet verstoord zou mogen worden door buitenlandse inmenging. Ongetwijfeld is het land bezig met zijn smartelijke herinnering aan de duistere jaren zeventig in het reine te komen. Maar een proces van verzoening is nog wel iets anders, zoals blijkt uit de tallozen die de toen gepleegde misdaden graag berecht zouden zien.

In ieder geval heeft de onschendbaarheid die Pinochet daarbij tot nu toe binnenslands genoten heeft met zo'n verondersteld verzoeningsproces niets van doen. Hij was het zelf die zich door middel van amnestiewetten immuun maakte voor elke rechtsvervolging. Bowrings vergelijking met Zuid-Afrika gaat in zoverre op, dat ook hier het apartheidsregime een dergelijke amnestiewet heeft afgekondigd, maar juist het verzoeningsproces heeft daar laten zien dat men zich na de machtswisseling daaraan niet altijd gebonden hoeft te voelen. In het geval van Chili bleek Pinochet pas bereid de macht stukje bij beetje uit handen te geven toen zijn eigen onaantastbaarheid was veiliggesteld. Dat gebeurde onder voortdurende, expliciete bedreiging van een hernieuwd militair ingrijpen naar het model van 1973, mocht het democratiseringsproces een richting inslaan die hem niet zinde. Pas nadat hij in maart van dit jaar tot senator voor het leven was benoemd (democratisch gezien al een merkwaardige zaak), deed hij afstand van het opperbevel van het leger.

Chili is dan ook een democratie geworden met het pistool op de borst en die bedreiging is nog altijd niet weggenomen.

Ook het protest van de Chileense regering tegen Pinochets arrestatie moet gezien worden tegen die achtergrond (en tegen die van de verplichting althans formeel de eigen staatsregels te verdedigen). Te suggereren dat het aan het Chileense volk is met Pinochet af te rekenen en niet aan een vreemde mogendheid als Spanje, zoals Bowring doet, getuigt dan ook van een aan medeplichtigheid grenzende naiveteit. Ongetwijfeld zou een proces in eigen land de voorkeur verdienen, maar zolang dat niet mogelijk is, is een berechting elders een goede vervanging. Ook Al Capone is indertijd achter de tralies verdwenen wegens belastingfraude, niet wegens de onbewijsbare aanklacht van smokkel en gangsterdom, maar niettemin was iedereen daar erg gelukkig mee.

De zaak die onderzoeksrechter Garzon internationaal aanhangig heeft gemaakt, heeft intussen alle recht van bestaan. Het zijn Spaanse staatsburgers (waaronder minstens een `onschendbare' diplomaat) wier dood Pinochet verweten wordt en als zodanig heeft Spanje goede gronden om uitlevering te vragen aan Engeland. Daarbij is de juridische status van Pinochets onschendbaarheid een vooralsnog onduidelijke zaak; of deze ook geldt in het geval van een prive-bezoek, valt nog te bezien.

Politiek (niet juridisch) kan men zich in ieder geval afvragen hoe serieus men een dergelijke onschendbaarheid moet nemen, gezien de wijze waarop Pinochet haar verworven heeft. Als deze wordt beloond met een vrijlating door de Britse overheden, lijkt huidige en toekomstige dictators niets in de weg te staan om zich definitief aan elke sanctie te onttrekken. Luttele weken nadat de internationale gemeenschap gepoogd heeft schendingen van de mensenrechten door middel van een Internationaal Strafhof boven de zeggingsmacht van de nationale rechtbanken uit te tillen, zou dat een wrange constatering zijn.

De retorische vragen waaruit de tweede helft van Bowrings stuk bestaat - en die het argumentatief niet sterker maken - zullen dan ook, anders dan hijzelf meent te suggereren veelal positief moeten worden beantwoord. Dat Portugal een soortgelijke actie zou kunnen ondernemen ten aanzien van Soeharto, wanneer de dood van Portugese onderdanen in het geding is, is inderdaad zeer wel denkbaar en ik zie geen enkele reden om daar bezwaar tegen te maken.

Dat Portugal zelf geen brandschoon verleden heeft (zoals ook Spanje nog verse herinneringen heeft aan zijn eigen dictatuur) is geen serieus te nemen tegenwerping. Geen rechter heeft een moordenaar ooit vrijgesproken op grond van het feit dat andere moorden niet berecht of opgehelderd werden, noch - zo mag men hopen - omdat hij zich berouwvol van zijn eigen zondigheid bewust was. Het verwijt van een ethisch zelfbesef, dat Bowring de Britse regering zo hautain voor de voeten werpt, keert zich hier tegen hem. Recht is recht, zoals politiek politiek is, en daar moet men niet met gelegenheidsargumenten aan trachten te ontkomen.

Met welke kromme redeneringen men aan de gevolgen van het Spaanse uitleveringsverzoek tracht te ontkomen, blijkt wel uit de reacties van Margaret Thatcher, die het van haar kant eenduidig houdt bij de Realpolitik waarvan Bowring zich een kolom eerder nog zo'n geharnast verdediger toont. Zij heeft gewezen op de hulp die het Verenigd Koninkrijk tijdens de Falkland-oorlog van Chili mocht ontvangen en op de pijnlijke toevalligheid dat Engeland op het punt staat de Argentijnse president Carlos Menem op bezoek te krijgen. En dan wrijft men zich ook bij Thatchers woorden toch weer de ogen uit. Want zou Thatcher nu al vergeten zijn dat niet Menem maar Galtieri leider was van Argentinie tijdens de Falklandoorlog? Dat het land toen (net als het Chili van Pinochet) onder een dictatuur zuchtte en Menem pas veel later democratisch gekozen werd? In de discussie die met de arrestatie van Pinochet is losgebarsten zijn kennelijk alle argumenten goed om datgene te verhinderen waarnaar de hele beschaafde wereld al vijfentwintig jaar leek te verlangen.

Zelden in de geschiedenis van de mensenrechten heeft een volstrekt helder juridisch verzoek (het Spaanse uitleveringsverzoek en de Engelse verplichting daaraan) zo lijnrecht in het verlengde gelegen van het intuitieve rechtsgevoel. De VN-vergadering in Rome had zich onlangs geen sprekender voorbeeld kunnen wensen van wat zij beoogde. Dat het Internationale Strafhof er dankzij de Verenigde Staten (die over Chili ook wel wat uit te leggen hebben) vooralsnog niet gekomen is, doet daaraan niets af.