Jonge honden spelen overtuigend bejaarde mannen

Oud zijn ze, de gebroeders Karl en Robert. Ze teren op herinneringen en verkeren in het laatste stadium van hun verval. De acteurs die deze heren spelen daarentegen staan nog maar aan het begin van hun leven en loopbaan. Rogier in `t Hout en Tjebbo Gerritsma verbergen hun jeugd niet achter schmink of oudemannenstramheid: lenig springen zij rond en als ze aan de piano zitten laten ze zich gaan in baldadige boogiewoogie.

We kijken naar bejaarden die tevens jonge honden zijn en hebben toch nooit het gevoel dat iets niet klopt. Regisseur Bart Danckaert, een twintiger net als de acteurs, laat die acteurs evengoed in hun waarde als de personages en daardoor komt Thomas Bernhards tekst tot z'n recht. Want de ouwetjes in Schijn bedriegt mogen dan wel als lamlendige jongeren eindeloos zeuren en klagen, opstandig zijn ze ook. Ze kunnen de zinloosheid van het bestaan maar niet accepteren en hun woede ontketent een stoot energie die de dood regelrecht tart.

Zo gezien zijn Karl en Robert heroische figuren. Ook al weten zij dat ze nooit wijs zullen worden en dat hun geest het hoe dan ook snel zal begeven, toch houden zij hardnekkig vast aan kunst en cultuur, aan toneel en muziek en filosofie en alles wat de geest verheft. Het bewustzijn van die paradox verhevigt de woede en vaak moeten juist het toneel, de muziek en de filosofie het ontgelden. Dat is tragisch en tegelijk grappig, en Danckaert laat ons om de ridiculiteit van de homo sapiens zo vaak mogelijk lachen. Hij doet dat niet alleen met woorden maar ook met een hele hoop slapstick. Buster Keaton lijkt model te hebben gestaan voor de hilarische pantomime-scenes die varieren van het geworstel bij het aantrekken van een broek tot en met het omslachtige knippen van neushaar. Waarbij het schaartje zomaar uit de lucht komt vallen: een truc die van Beckett geleend is. Beckett en Buster Keaton: zij passen bij Bernhards voorliefde voor het groteske voor clownerieen en variete.

Robert was toneelspeler en Karl was een artiest: zijn vermaarde nummer laat hij nog eens zien en ze vallen niet, de 21 borden die hij draaiende houdt op de punt van een op zijn kin geplaatste stok.

Rogier in `t Hout moet flink hebben geoefend, maar daar merk je niks van: knap combineert hij fysieke strapatsen en tekst. Tegenover de kleine, schriele, scherpe, grimmige In `t Hout staat de grote, lompe, zijn sulligheid cultiverende Tjebbo Gerritsma: alweer een slapstick-constellatie. Alleen: aan de flair van In `t Hout, die al wat professionele podiumervaring heeft, kan de stageaire Gerritsma niet tippen. Maar dat is in deze verder zo speelse voorstelling geen onoverkomelijk bezwaar. Wanneer we ons even inbeelden dat de leeftijd van de acteur Tjebbo Gerritsma samenvalt met die van de toneelspeler Robert klopt Gerritsma's onvermogen zelfs wonderwel met Thomas Bernhards ironie. Want die laat Robert zeggen: `Op leeftijd speelde ik/ de oude mannen niet meer zo goed// De oude mannen lukten me/ tot m'n vijfendertigste.'