In Euroland waart weer de geest van Keynes rond

In Europa is het politieke sentiment omgeslagen. De sociaal-democratie is in opmars. Het streven om de begrotingstekorten terug te brengen naar balans, is druk bezig plaats te maken voor een actief uitgavenbeleid om de Europese economie te stimuleren.

Het is er bij de Europese kiezer jarenlang ingestampt: stel de markt in staat zijn werk te doen, laat de verantwoordelijkheid voor het rentebeleid over aan een centrale bankier, en het resultaat is stabiliteit, economische voorspoed en lage werkloosheid.

Nu wankelen deze twee pijlers onder de politieke economie van Europa. De neo-liberale formule lijkt in grote delen van de Europese Unie zijn aantrekkingskracht te hebben verloren. Is de wereldwijde financiele crisis het voorbeeld van de beloofde stabiliteit? Is de huidige economische groei de beloning voor jaren van zuinigheid? De Europese Commissie verlaagde vorige week zijn raming voor de economische groei in Europa van 3,2 procent naar 2,6 procent. Veel banken zitten met hun prognoses onder de 2 procent, waarmee de werkloosheid kans maakt weer op te lopen. En die werkloosheid staat met meer dan 10 procent van de beroepsbevolking, nog steeds op een na-oorlogs recordniveau - ondanks een lichte daling sinds de zomer van dit jaar.

De voorstanders van de aanbod-economie wijzen er op dat de klus nog niet af is. Vanuit Nederland vertekent het perspectief. Hier is de economische groei hoog, de werkloosheid laag en is de voorgeschreven receptuur door de kabinetten Lubbers en Kok veelvuldig toegepast. Maar in Duitsland, Frankrijk of Italie is er ondanks de lippendienst aan de marktwerking nog maar weinig veranderd. De financiele instabiliteit, en de tegenvallende economische vooruitzichten worden bovendien geimporteerd uit de delen van de wereld waar de financiele crisis woedt.

Maar ondanks die tegenwerpingen zwaait de slinger terug. In de afgelopen anderhalf jaar haalden socialisten en sociaal-democraten verkiezingsoverwinningen in achtereenvolgens Frankrijk, Groot-Brittannie en Duitsland.

En vorige week werd in Italie voor het eerst een ex-communist, Massimo d'Alema, minister-president. Van de vijftien lidstaten van de Europese Unie hebben er nu 11 een centrum-linkse of linkse regering. De begrippen `links' of `socialistisch' lopen wijd uiteen, maar de Maakbaarheid hangt weer in de lucht. Nederland heeft met het kabinet-Kok op dit moment een van de meest liberale regeringen van Europa. Een regeringscoalitie van PvdA, D'66 en Groen Links was een half jaar geleden een hersenschim. In Europees perspectief is zo'n combinatie plots helemaal niet zo vreemd meer.

De omgeslagen stemming in Europa heeft gevolgen voor wat de `Brusselse consensus' mag worden genoemd: de notie dat marktwerking, begrotingsdiscipline en een onafhankelijk en stringent rentebeleid de enige weg zijn. Twijfels waren er al in sociaal-democratische kring, maar nu het Duitse christendemocratische duo van bondskanselier Kohl en minister van Financien Waigel plaats heeft gemaakt voor de combinatie Schroder en Lafontaine, zijn die twijfels weer bespreekbaar.

De Europese regeringsleiders lieten dit weekeinde tijdens hun bijeenkomst in Oostenrijk geen twijfel bestaan over de noodzaak van een verlaging van de Europese rentes. Lafontaine en zijn Franse collega Strauss-Kahn maken zich sterk voor een wisselkoerssysteem waarbij de ene Europese munt, de euro, straks nog maar mild mag fluctueren tegenover de Amerikaanse dollar. En het streven om de begrotingstekorten terug te brengen naar balans is druk bezig plaats te maken voor een actief uitgavenbeleid om de Europese economie te stimuleren. Het neo-liberalisme heeft niet geleverd. Er dreigt volgend jaar een forse terugval van de economische groei.

Tijd voor een andere aanpak. `Keynes' komt terug, maar heeft hij een kans?

Het veranderde denkklimaat botst met de afspraken die zijn gemaakt in verband met de euro. In het stabiliteitspact is overeengekomen te streven naar begrotingsevenwicht. Begrotingstekorten mogen de 3 procent van het bruto binnenlands product niet overschrijden, op straffe van boetes. Over 1998 wordt geraamd dat de deelnemende landen aan de euro een tekort hebben van 2,6 procent van het bbp. Veel ruimte voor een stimuleringsbeleid is er dan ook niet, zij het dat er in Italie al stemmen opgaan om, geheel in de geest van Keynes, overheidsinvesteringen anders te behandelen dan andere overheidsbestedingen. Mocht de 3-procentsgrens worden overschreden omdat de investeringen zijn opgevoerd, zou dat dispensatie moeten geven.

Los van de vraag of de boetes in het stabiliteitspact politiek wel haalbaar zijn, is er de ingebouwde strijdigheid tussen het begrotingsbeleid en het rentebeleid. De zakenbank Morgan Stanley beschreef vorige week vrijdag hoe een noodlottige bosting tussen die twee de problemen alleen maar groter kan maken. Begin jaren tachtig voerde de Amerikaanse regering-Reagan de overheidsbestedingen fors op, tot een begrotingstekort van 3,5 procent werd bereikt. De Amerikaanse centrale bank ging, bang voor de inflatoire effecten van Reaganomics, met een strak rentebeleid juist aan de rem hangen. De combinatie van hoge uitgaven en hoge rente joeg de koers van de dollar in 1995 op tot bijna 4 gulden.

Dat kan met de euro ook gebeuren, als in het veranderde politieke klimaat de dialoog tussen Europese regeringen en de Europese Centrale Bank vastloopt. ECB-president Duisenberg maakte vorige week tot tweemaal toe duidelijk dat hij niet gevoelig is voor `politiek activisme' om de rente te verlagen en dat een koppelingsregime tussen euro en dollar onuitvoerbaar is.

Hoe harder de politieke roep om een renteverlaging hoe meer de centrale bankiers in Frankfurt zich verplicht kunnen voelen om hun onafhankelijkheid te onderstrepen met het niet of slechts mondjesmaat verlagen van de euro-rentes. En daar zit niemand in Europa op te wachten.