In de aanval

VOORLOPIG IS het een storm in een glas water. Het Nederlandse kabinet heeft bij monde van premier Kok gedreigd met een veto wanneer volgend jaar maart de meerjarenbegroting van de Unie (Agenda 2000) moet worden vastgesteld. Nederland wil als nettobetaler een evenwichtiger verhouding tussen zijn bijdrage aan de Unie en de ontvangsten uit de verschillende Europese fondsen. Zolang de partners daarmee niet instemmen, wil het de gang van zaken met een veto blokkeren. Althans dat is met zoveel woorden aangekondigd.

De Nederlandse wens de contributie te verlagen in het kader van het nationale begrotingsbeleid moet worden gezien tegen de achtergrond van een veel belangwekkender conflict. Als gevolg van de ophanden zijnde uitbreiding van de Unie met landen in Oost-Europa moet de verdeling van de middelen ingrijpend worden gewijzigd. De nettobetalers, de noordelijke lidstaten, gaan ervan uit dat de netto-ontvangers, de zuidelijke lidstaten, een offer zullen brengen. De overgangsregelingen die hun integratie moesten bevorderen, hebben geen eeuwigheidsduur. Met de altijd beperkte gemeenschappelijke middelen moeten nieuwe prioriteiten worden gediend. Anders gezegd, het zal tot een evenwichtiger verdeling van de lasten over de huidige ledenlanden moeten komen.

NEDERLAND HEEFT geen ervaring met het vetorecht. Integendeel, het heeft zich altijd voorstander getoond van beslissingen bij meerderheid waarbij een veto niet mogelijk is. Het dreigement wordt nu verdedigd met een verwijzing naar de starre houding van onder meer de Spanjaarden in deze kwestie. Als zij het been stijf mogen houden, mag Nederland dat ook. Het probleem is alleen dat Nederland er geen belang bij heeft om het tot een scherp en langdurig conflict met zijn partners te laten komen. Er bestaat in Nederland, anders dan bijvoorbeeld in Frankrijk en Groot-Brittannie, geen anti-Europese traditie waarbij kan worden aangeknoopt. En de suggestie dat het Nederlandse belang van minder betalen uitgaat boven het belang van Nederland bij de Europese integratie als geheel, is niet geloofwaardig. Niet bij de partners, maar evenmin in eigen land.Als het de bedoeling van Den Haag is geweest om met het dreigement van een veto de partners van de ernst van zijn zaak te doordringen, was dat misschien op zichzelf gerechtvaardigd.

Nu gaat het erom binnen de bestaande krachtsverhoudingen rondom de problematiek van de toekomstige financiering van de Unie partners te werven met een gelijkgericht belang. Als signaal heeft het dreigement zijn betekenis, gehanteerd als wapen zou een veto een boemerang blijken te zijn.

EEN AFGELEIDE IS de ruzie tussen minister Zalm en enkele Nederlandse Europarlementariers. De bewindsman verwijt de volksvertegenwoordigers het Nederlandse belang te hebben geschaad door te stemmen voor het scheppen van financiele reserves van de Unie. Nederland wil met het oog op beperking van zijn eigen bijdrage een rem op de uitgaven in Unie-verband. Het scheppen van reserves past niet daarin.

Over de kwestie van de financiering van het verenigd Europa zijn meningsverschillen denkbaar. Het siert een minister van Financien dat hij zuinigheid met belastinggeld nastreeft, ook als het om Europese uitgaven gaat. Maar Zalms verwijt aan de Europarlementariers is vreemd. De Europese volksvertegenwoordigers doen hun werk niet op last van de regeringen van de lidstaten. Zij hebben een rechtstreeks mandaat van de kiezers. Die kunnen hun afgevaardigden ter verantwoording roepen. Het dreigt een slechte gewoonte te worden: leden van het kabinet laten zich bij herhaling kritisch uit over het werk en het optreden van volksvertegenwoordigers, nationale en Europese. Dat is de wereld op zijn kop. Waar de kritiek het karakter krijgt van intimidatie, wordt de democratie zelf in het geding gebracht.