Haat in de lucht

Een bevriende collega met wie ik weleens een sigaar uitwissel en die in het algemeen het beste voor heeft met het mensdom, deelde na afloop van de wedstrijd tussen FC Utrecht en Feyenoord op licht-bewogen toon mee dat hij zijn beide zoons had verboden nog langer voetbalwedstrijden te bezoeken. “Het sfeertje bevalt mij niet langer. Men heeft geen respect meer voor tegenstanders. Er zit veel haat in de lucht, die we inademen.'

Afgezien van het feit dat die zoons in de buurt van volwassenheid zich bevinden en dat het dus twijfelachtig is of pa zijn wil nog wel kan opleggen, heeft die spontane uitspraak mij aan het denken gezet. Is er zoveel haat in de lucht boven een voetbalstadion? Want het ging niet uitsluitend om de spelers, maar zeker ook om de toeschouwers.

Wat de spelers betreft geloof ik niet sterk aan regelrechte haat. Je ziet na afloop hoe ze elkaars shirtjes ruilen, handen schudden, schouderklopjes uitdelen. Hun gedrag tijdens de wedstrijd is daarmee in zoverre in tegenspraak dat de genadeloosheid van de tackles meermalen de pan uitstijgt. Maar vaak accepteert men dat wederzijds als iets dat bij het vak van voetbalprof hoort. De coaches laten trouwens niet na professionaliteit te prediken als onmisbare eigenschap. Hardheid, gevoegd bij de uiterste consequentie zijn factoren die geacht worden menige wedstrijd te beslissen. Vaak is dat ook het geval.

Maar voor welk sfeertje zorgt het publiek? Zou je aan de ruim 13.000 toeschouwers die zondag in Nieuw Galgenwaard aanwezig waren tevoren hebben gevraagd wat ze van die voetbalmiddag verwachtten, dan zouden vermoedelijk omstreeks 10.000 verklaard hebben: een overwinning van onze en een leuke wedstrijd. Maar hoe zij aan het leuk zijn van die krachtmeting zouden kunnen bijdragen, daar had men of geen idee van of geen boodschap aan.

In hoeverre accepteert de aanhang van de ene ploeg de weerstand van de tegenpartij? Als er royaal acceptatie bestond dan zou men toch niet constant een hels fluitconcert in stand houden. De mensen die over voetbalzaken beslissen, schreeuwen niet en fluiten niet. Ook op de perstribunes gebeurt hoogst zelden iets onvriendelijks.

Het enige incident dat mij te binnen wil schieten, betreft wijlen de collega's Geudeker en De Wolff, die ooit (jaren 50) op de perstribune van het Olympische Stadion in Amsterdam met elkaar slaags raakten over wie waar mocht zitten.

De dames en heren van het ereterras hebben weinig notie van wat er elders gezegd en geroepen wordt. Ook de vocale uitbarstingen binnen de lijnen gaan aan hen voorbij. Voor hun gemoedsrust is dat maar goed ook. Ze zouden danig ondersteboven raken als het koor van verwensingen tot hun oorschelpen zou doordringen. Niet alles wat gezegd wordt in een staat van opwinding of geestesvervoering is voor 100 procent gemeend. Maar het bepaalt wel de sfeer waarin zo'n wedstrijd verloopt. Daarom kan ik die afwijzend reagerende collega goed begrijpen.

Persoonlijk heb ik het gemakkelijker dan hij. Mijn zoons gaan nooit naar voetbalwedstrijden kijken, tenzij via de beeldbuis. Of dat bij hen principieel ligt, waag ik te betwijfelen. Ze zijn niet dermate geinteresseerd in voetbal als hun vader. Die zich trouwens ook wel eens de vraag stelt of die interesse nog even puur is als ze vroeger was. We zijn immers gewoontedieren.

Eens een weekje overslaan is best te doen. Maar het besluit nemen nooit meer te gaan, dat gaat mij te ver. Daar ben ik nog geenszins aan toe. Want naast haat hangt er ook wel iets anders in de lucht boven de stadions: verwachting bijvoorbeeld. En dat is iets kostelijks. Het gaat bovendien niet speciaal om de stadions. Overal waar een veld ligt met fris gekalkte lijnen, bollende doelnetten, plus wapperende hoekvlaggen, dwingt dat mij tot stoppen en toekijken.