Bonden eisen hoger salaris voor leraren; Looneis kost 1,4 miljard

De onderwijsbonden eisen 1,4 miljard gulden van minister Hermans (Onderwijs) voor de verhoging van het lerarensalaris (3,5 procent), een eindejaarsuitkering (0,5 procent) en geld (1,75 procent) om onder andere hun loonachterstand in te lopen.

Morgen beginnen de CAO-onderhandelingen met Hermans. De vier bonden AOb, CNV Onderwijsbonden, AVS en CMHF eisen ruim twee keer zo veel als het kabinet biedt. Minister Hermans wil nog niet ingaan op de looneis laat hij weten, omdat die morgen pas aan hem wordt voorgelegd. In het regeerakkoord hebben de paarse fracties afgesproken dat ze maximaal drie procent - 750 miljoen gulden - over hebben voor `loonruimte' in het onderwijs. De helft van dat bedrag is echter al door Hermans' voorganger oud-minister Ritzen ingeboekt voor onder andere twee uur minder werk per week voor leraren op middelbare scholen (aanleiding voor de staking begin dit jaar), die in de lopende CAO is vastgelegd.

Daarnaast stelt Paars II 50 miljoen gulden beschikbaar voor schoolmanagement en boeken op basisscholen, wat neerkomt op 6.000 gulden per school. Voor het eerst trekt het kabinet geld uit voor `competentiebeloning'. Dat wil zeggen: een hoger salaris voor leraren die extra taken op zich nemen of buitengewoon goed presteren. Dat bedrag loopt op tot jaarlijks 209 miljoen gulden in 2002.

Als het kabinet de eisen van leraren en schoolhoofden inwilligt, dan zal het jaarlijks ruim 800 miljoen gulden extra moeten uitgeven. Afgelopen jaar gaf het in totaal 25 miljard gulden uit aan salarissen van de 366.000 leraren op basisscholen, middelbare scholen en in het beroepsonderwijs. Een onderwijzer kan aan het einde van zijn loopbaan (in schaal 10) maximaal 5.300 gulden per maand verdienen.

De onderwijsbonden verzetten zich tegen `competentiebeloning', zoals die is voorgesteld door het adviesbureau Berenschot. Minister Hermans vindt het juist een “zeer interessante gedachtegang'. De bonden zien geen heil in de verdeling van leerkrachten in `beginners', `ervaren' en `excellente' leraren omdat zij “scheve ogen en angst voor vriendjespolitiek', verwachten binnen scholen.

Bovendien zijn de prestaties van een leraar onmeetbaar volgens hen, omdat goede cijfers van een klas mede zijn te danken aan de voorganger van een leraar. De bonden willen daarom hooguit praten over `loondifferentiatie': leraren die extra taken op zich nemen, zoals begeleiding van collega`s of veel buitenschoolse activiteiten, zouden sneller in een hogere salarisschaal moeten komen.