Wagemans volgt Schreker in zijn verre klankdroom

“De pure klank, zonder een motivische uitwerking is een van de meest wezenlijke muziekdramatische uitdrukkingsmiddelen', meende Franz Schreker (1878-1934).

In zijn autobiografische opera Der ferne Klang (1903-1909) jaagt de componist Fritz een visioen na van een mystieke magisch gebonden klank. Het gegeven fascineerde Peter-Jan Wagemans, vrijdag de centrale componist bij het Rotterdams Philharmonisch Orkest.

In Klang voor orkest opus 24 uit 1986 tracht Wagemans Schrekers droom verder uit te werken. Daarbij streeft hij niet zozeer naar een hallucinatoir geluid van gene zijde zoals Schreker, alhoewel Schrekers ijl zwevend visioen wel degelijk wordt geciteerd, maar zoekt hij naar een oververzadigd geluid als van een gigantisch Frans orgel in een kathedraal. Overigens was het magisch orgel het onderwerp van zowel Schrekers opera Das Spielwerk als Der singende Teufel. Het geluid van elk instrument afzonderlijk is in Klang diep weggezonken in een somptueus klankbad, in torens van geluid. Onontkoombaar verloopt de compositie in een orgie van zeven simultane klanklagen.

Rosebud (The last forest) voor orkest en vrouwenkoor uit 1988, in een terugblik op de wereld van prille onschuld, is lieflijker en lichter van toets. Het begint daar waar Debussy's Nuages ophoudt. Het is gaver dan Klang, waar de grimmige grandeur gauw overslaat naar iets grauws, maar Klang is ontegenzeggelijk karakteristieker.

De Vierde Symfonie (1909-1916) van Charles Ives na de pauze uitgevoerd, sloot met zijn gelaagdheid goed bij Wagemans aan. Het laatste, vierde deel is slechts in potlood bewaard met veel verwarrende varianten in de kantlijn zoals een passage voor zes trombones een aantal dat verder nergens anders benodigd is! Al die marsen square-dances, ragtimes en patriottistische liederen kennen we nu wel het is die langzame laatste mars die de kern raakt. Geen geschreeuw, maar een zacht murmelend geluid is hier de Amerikaanse `ferne Klang', een volstrekt gewichtloze natuurmystiek als apotheose. De dirigenten Hempel en Leenders hadden niet alleen alles perfect onder controle maar er was zelfs ruimte voor nuancering.

En dan realiseer je je pas hoe de lyriek het meest wezenlijk is, de spectaculaire uitbarstingen niet meer zijn dan een krampachtig en maar al te menselijk verzet tegen het tijdloze van de bezielde natuur.

Thomas Ades (1971) in zijn groots opgezette vierdelige Asyla (1997) is ook al op te vatten als een zoektocht naar de ultieme klank. In het deel Ecstasio is weliswaar sprake van een wilde housemusic-uitbarsting, maar die is zo mechanisch uitgewerkt dat werkelijke spanning ontbreekt en het beoogde contrast wegblijft. Typerender is de impressionistische mixtuur-klank in de boventoonrijke koebellen en gongs, de Engelse `ferne Klang' is hier niets anders dan een exotische imitatie van het gamelanorkest.

Er is veel smaak in geinvesteerd en de componist toonde zich zaterdag tijdens de Matinee zeer tevreden met de verrichtingen van Hans Vonk en het Radio Filharmonisch Orkest, maar aan mij ging dit elegante timbreonderzoek een beetje voorbij. Waar Wagemans je bij de lurven pakt, houdt Ades het bij een vriendelijk aaien.