Schumanns cello mag van Haenchen zinderend uitzingen

Conceert: Ned. Philh. Orkest o.l.v. Hartmut Haenchen m.m.v. Frans Helmerson, cello. Muziek van Schumann en Bruckner.

Het Celloconcert van Schumann is naar de vorm eigenlijk geen echt concert, waarin solist en orkest met elkaar wedijveren, maar eerder een lange, door het orkest begeleide solo van de cello. Dirigent Hartmut Haenchen geeft in de toelichting op de uitvoeringen die hij dezer dagen dirigeert, zijn eigen kijk op het wat mij betreft vaak weinig overtuigende werk. Haenchen gaat uit van Schumanns liederen, die vrijwel alle facetten van zijn instrumentale muziek bevatten. Zo kan hij Schumanns instrumentale muziek “als het ware ook van een tekst voorzien.'

Lag het daaraan dat het Celloconcert mij nu wat interessanter voorkwam? De analyse van Haenchen resulteerde in ieder geval in een instrumentaal `orkestlied', waarin de lyrische cello soms deed denken aan een vocalise. Een echte zangstem zou de cellopartij overigens goeddeels doen veranderen in een vroeg-19de eeuws Italiaans coloratuurspektakel! De uitstekende Zweedse solist Frans Helmerson ging in zijn vertolking van dit stuk uit de Duitse hoogromantiek (1850) stilistisch juist een heel andere kant op: de slavische laatromantiek rond het fin-de-siecle van Dvorak. Het mij bijna altijd te weee Schumanneske werd nu getransformeerd tot een steviger en vervoerender stijl, ook wat grootser en zinderender van toon, mooi begeleid door het Nederlands Philharmonisch Orkest.

Ook in Bruckner heeft Haenchen zijn eigenzinnigheden, als bij hem de geest waait, stormt het al snel. In Bruckners Zevende en Negende kwam hij in de afgelopen jaren soms welbewust tot een zeer ruig klankbeeld. Nu, in het eerste deel van de `romantische' Vierde, is er ook weer zo'n furieus opgevoerde climax waarbij het orkest er alles mocht uitpersen wat het in zich heeft. En dan woedt Bruckner op orkaankracht.

Voor het overige toont Haenchen zich juist zeer beheerst: in de vele dynamische schakeringen bewoog hij zich stapje voor stapje heen en weer over de trap van sterktegraden. En al even overwogen leek het contrast tussen de delen, dat hij nastreefde, al ontbrak het zaterdag bij de eerste uitvoering nog aan gezaghebbende perfectie. Het eerste Bewegt, nicht zu schnell had een opengelegde klank in een mij iets te snel tempo. Het tweede deel Andante klonk veel compacter en bedachtzamer. Het Scherzo een jachtscene met wat ritmische onvolkomenheden in de blazers, vroeg om meer souplesse in de teugelvoering.

De finale had soms een wat harde uitstraling. Sergiu Celibidache interpreteerde die enkele jaren geleden in het Amsterdamse Concertgebouw als een afscheid van de romantiek, als een onweerstaanbare voortstomende opmars naar de toekomst. Bij Haenchen klinkt de finale als een orgelende apotheose van de romantiek.