Rooms eredoctor op pelgrimstocht

Als Bernardus Gerardus Franciscus (Ben) Brinkel is hij nauwelijks bekend. Wel onder de naam Michel van der Plas. Dan blijkt dat deze 71-jarige niet alleen journalist-verslaggever, maar ook schrijver van cabaretteksten, een produktief religieus dichter en een getalenteerd chroniqueur van het `rijke roomse leven' is.

Bovendien mag hij ook `dr' voor zijn naam zetten sinds hij kort geleden door de 75-jarige Katholieke Universiteit Nijmegen met een eredoctoraat is bekroond.

Circa vijftien jaar geleden heb ik Van der Plas een keer ontmoet. In het vliegtuig naar Rome. We waren op weg naar de Nederlandse bisschoppensynode die onder leiding van paus Johannes Paulus II werd gehouden om de leden van het Nederlandse episcopaat weer enigszins in het geestelijk gareel te brengen. Meneer Van der Plas was bijzonder collegiaal en vertelde mij als niet-katholieke journalist precies wat ik volgens hem moest weten en hoe ik daar te werk moest gaan. Wie wel vertrouwd kon worden en wie niet en wie rechts of links gepasseerd moest worden. Vervolgens vertrok hij naar een ander hotel dan het mijne en hebben we elkaar alleen op afstand nog weleens gezien. Michel van der Plas is de meest katholieke journalist die men zich kan voorstellen. Hij heeft altijd `de katholieke zaak' willen dienen. Met zoveel verve en enthousiasme dat hij zich bij zijn eredoctoraat al bij voorbaat verheugde op de `fijne roomse reunie' die dat zou opleveren. Naar eigen zeggen heeft hij zich in de loop der jaren `nogal bezondigd aan veel publicaties over catholica', zowel interviewboeken met kardinaal Alfrink, bisschop Bekkers en Godfried Bomans als ook cabaretteksten als `Frater Venantius' voor Wim Sonneveld. Daarnaast is hij ook een zielenherder, een pastor die zich medeverantwoordelijk voelt voor het geloofsleven van anderen. En dus een man die uitstekend weet om te gaan met het adagium uit zowel het journalistieke als pastorale metier, dat men in de omgang met anderen tegelijkertijd `nabijheid en distantie' moet betrachten. Dat lukte hem lang niet altijd. Soms was hij als katholiek journalist, bijvoorbeeld in zijn boeken Brieven aan paus Johannes (1984) en Uit de grond van ons hart. Open brieven aan paus Johannes Paulus II (1990), zo intens met zijn onderwerp verbonden, dat zijn betrokkenheid er driedubbeldik bovenop lag.

En dus was het niet verwonderlijk dat dr. J.H.A.M. Roes hoogleraar in de geschiedenis van het Nederlandse katholicisme, Van der Plas bij diens erepromotie beschreef als een `letterknecht die zich speciaal tot dienstbaarheid aan zijn geloofsgenoten voelt geroepen'.

Bij die dienstbaarheid gaat het blijkbaar niet alleen om mede-katholieken maar om christelijke medegelovigen in het algemeen. Dat valt op te maken uit zijn `kleine werk'. Uit zijn ambitieuze onderneming om bij alle evangelien liederen en poetische teksten te schrijven. Voor elke zondag een lied of gedicht. Nu eens in verhalende vorm, dan weer als korte gebeden. Zo is zijn bundel De man van Nazareth (1992) tot een prachtig meditatieboekje bij de vier evangelien geworden. Bijvoorbeeld met een gedicht over die eigenwijze, wereldvreemde man van Nazareth die wilde dat alles anders werd.

Ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan van de Nijmeegse Universiteit en de aanvaarding van zijn eredoctoraat, hield Ben Brinkel een academische feestrede. Een toespraak over avontuur, over reizen en trekken en uiteindelijk thuiskomen. Over het opmerkelijke feit dat het woord `avontuur' in de bijbel geen enkele maal voorkomt, hoewel vooral het Oude Testament vol staat met zwerversgeschiedenissen en onderzoekersverhalen. En nooit is er een eindpunt. Zoals dat er ook voor de wetenschappelijke onderzoeker niet is. Alle vinden is maar vinden voor even, studeren blijft pelgrimeren. “Want hoeveel mensen die de lange lange pelgrimsweg naar Santiago de Compostela (in N.W. Spanje) hebben afgelopen, getuigden achteraf niet dat de tocht zelf - met al zijn avontuurlijke bevindingen - hun veel meer bevrediging had geschonken dan de aankomst in het heiligdom die toch hun doel was.'

Brinkel zou Van der Plas niet zijn geweest als hij zijn feestrede niet met een `preekje', een persoonlijke geloofsoverweging had afgesloten. Hij verwees daarin naar Augustinus' samenvatting van het mensenbestaan in opbreken vertrekken, reizen, alle `adventura' tegemoet met de woorden: “Onrustig is ons hart totdat het zijn rust vindt in u, o God'. Dan wordt het levensavontuur volgens Van der Plas toch nog een thuiskomen. “Want als wij onderweg, of het in de woestijn of op de holle zee was, bezield zijn geweest, dan was het door de geest die boven de wateren hing.'