Nieuwe toekomst voor Kosmos en Fantasio; Nationaal Pop Instituut archiveert en stimuleert in fameus pand de Nederlandse popmuziek

Staatssecretaris Rick van der Ploeg (OCW) opent vanmiddag in Amsterdam de nieuwe huisvesting van het Nationaal Pop Instituut in het voormalige Fantasio. Het instituut heeft een archief en een mediatheek, maar stimuleert ook actief de hedendaagse Nederpop in het clubcircuit.

Na jaren in een gribuspand op de Amsterdamse Wibautstraat te zijn weggestopt, opent het Nationaal Pop Instituut vandaag haar deuren in een statig gebouw aan de Prins Hendrikkade, schuin tegenover het Centraal Station. In de jaren zeventig en tachtig was hier het meditatiecentrum De Kosmos gevestigd, en in de jaren zestig de eerste Amsterdamse poptempel Fantasio, die in 1968 een dag voor Paradiso openging.

De gang van het gebouw van het NPI (dat tot vorig jaar Stichting Popmuziek Nederland heette) is belegd met authentiek wit marmer, de plafonds van de verschillende kamers zijn appelgroen of oranje, de vloeren kregen kleurig marmoleum. Waar ten tijde van de Kosmos en Fantasio perzische tapijten op de grond lagen en woeste schilderingen de muren bedekten, zijn nu strak witte wanden te zien, met hier en daar een ornament. In de kelder van het pand huist het Nederlands Jazz Archief en op zolder was nog plaats voor de Nederlandse Vereniging van Poppodia.

Het Nationaal Pop Instituut is de belangenvereniging van de Nederlandse popmuziek, en krijgt jaarlijks 2,4 miljoen subsidie van de overheid. Waar een vergelijkbare stichting als Conamus zich vooral bezighoudt met artiesten als Ruth Jacott en Marco Borsato, zet het NPI zich in voor meer experimentele muzikanten en voor bands die door langdurig touren in het clubcircuit bekendheid proberen te krijgen.

Om deze groepen een gehoor te geven heeft de afdeling `Support & Subsidie' van het NPI begin jaren tachtig het Podiumplan ontwikkeld, een subsidiesysteem dat een aantal zalen waar Nederlandse bands optreden, tegemoet komt in de eventuele tekorten. Anders dan in andere kunstsectoren, waar individuele gezelschappen de subsidies zelf ontvangen, zijn het hier dus de clubs.

Daardoor is een flexibeler beleid mogelijk.

Het NPI krijgt na vijfentwintig jaar, dankzij de nieuwe huisvesting nu eindelijk ook een publieke functie. Op de begane grond van het gebouw is de `Mediatheek' gevestigd. De wanden van deze ruimte zijn bedekt met popboeken, er zijn onlangs verschenen cd's te beluisteren en er is een grote kast met de nieuwste tijdschriften over popmuziek uit binnen- en buitenland. Tien terminals geven toegang tot Internet, en binnenkort ook tot de digitale databank van het NPI waarin alles op het gebied van Nederlandse popmuziek wordt bijgehouden.

Directeur Jaap van Beusekom hecht grote waarde aan dit nieuw gemaakte bestand. “Als je jezelf het `Nationale Popinstituut' noemt, en je weet op vragen over een bepaalde muzikant geen antwoord, dan hang je.' In 1992 had de Stichting Popmuziek Nederland een encyclopedie uitgebracht over uitsluitend Nederlandse groepen. “Maar na twee weken was die natuurlijk al weer verouderd. Nu hebben we eerst het bestaande aanbod van Nederlandse muzikanten verwerkt en vanaf nu houden we alle nieuwe ontwikkelingen direct bij.'

Achthonderd biografieen werden de afgelopen twee jaar geschreven door zeventig verschillende auteurs. Het betreft zowel groepen uit een ver verleden als de jongste bands. In de digitale versie, die op dit moment nog wordt opgebouwd, zijn allerlei dwarsverbanden (hyperlinks) gemaakt. Wie bijvoorbeeld de naam Tom Holkenborg aanklikt kan kiezen uit informatie over zijn groepen Nerve Weekend At Waikiki en Junkie XL. Van de muzikanten zijn discografieen te bekijken, geluidsfragmenten te horen, en er is een archief van gepubliceerde artikelen te raadplegen.

Op de eerste verdieping van het NPI is nog een ruimte voor openbaar gebruik.

Deze prachtige, hoge `Fantasio-zaal' was ooit de pronkkamer van de kapiteinssocieteit die er begin vorige eeuw was gevestigd. Nu zijn de muren kobaltblauw, de balken tomaatrood en hangt er in het midden een kolossale kroonluchter. Hier kunnen symposia en lezingen gehouden worden, en Van Beusekom ziet in de toekomst ook concerten voor zich. “Maar we willen niet concurreren met de bestaande podia. We moeten dus hiaten zien te vinden. Deze zaal leent zich bijvoorbeeld goed voor akoestische optredens.'

Op de verdieping boven de Fantasio-zaal bevindt zich de afdeling `Promotie & Projecten' waar onder andere het tijdschrift Fret over Nederlandse popmuziek wordt gemaakt. Op de bovenste etage is het archief opgeborgen. Hier staan zuurvrije dozen met daarin jaargangen van internationaal toonaangevende tijdschriften als New Musical Express, Melody Maker en Rolling Stone, en de Nederlandse Aloha, Hitweek, Tuney Tunes en OOR. Op de schappen staan ook tientallen boxen met daarop de aanduiding `fanmail Doe Maar', een gift van de leden zelf. “Binnenkort krijg ik de `gevoelige exemplaren' van Ernst Jansz', zegt Van Beusekom, “de expliciete en persoonlijke brieven over sterfgevallen en dergelijke. Nu het allemaal zo lang geleden is, kunnen we die ook krijgen voor openbaar gebruik.'

Ook van 2 Unlimited bewaart het archief de post. Volgens Gert Verbeek, beheerder van het archief, is er een groot verschil te zien tussen de brieven aan de leden van Doe Maar en die van 2 Unlimited. “Doe Maar lokte allerlei persoonlijke ontboezemingen uit, en was altijd van Nederlanders. De fanmail voor 2 Unlimited kwam vanuit de hele wereld. Maar de toon van de brieven was praktischer: hoe kom ik aan stickers, kan ik handtekeningen toegestuurd krijgen.

Het zou een interessant onderzoek zijn te kijken hoe verschillend die werelden waren.'

De NPI wil de komende tijd nog meer promotie geven aan Nederlandse bands in het buitenland. “We denken aan de mogelijkheid om met behulp van agenten in de voor ons belangrijkste markten, Verenigde Staten en Duitsland interesse te wekken voor Nederlandse muzikanten', zegt Van Beusekom. “Er werd hier altijd schamper gedaan over dit soort ambities. Toen wij een aantal jaren geleden de Urban Dance Squad uitzonden naar het New Music Seminar in New York vond men dat `water naar de zee dragen'. Maar toch week de Urban Dance Squad af van wat de Amerikanen zelf deden. En zoals bleek, was daarvoor wel degelijk belangstelling.'