Mitsuko Uchida is superieur in de Weense muziek

Kleur en ritme: dat zijn de twee belangrijkste pijlers waarop het meesterschap van pianiste Mitsuko Uchida berust. In het recital dat de bijna vijftigjarige Uchida zondag in het Amsterdamse Concertgebouw gaf onderstreepte zij weer eens dat er maar weinig musici zijn die zoals zij zoveel nuances kunnen aanbrengen.

Bij Uchida gaat het niet alleen over het dynamische spectrum tussen hard en zacht, maar vooral ook over een enorm scala aan gradaties in timbre - van omfloerst tot glashelder, van romig tot pittig, van de talloze grijstinten tussen zwart en wit.

Uchida's superbe gevoel voor ritme manifesteerde zich het duidelijkst in de Sonate in D op. 53 van Franz Schubert. In de aanstekelijke lichtheid waarmee zij de pastorale huppeldansjes in 3/4-maat vertolkte, alsook in de voor deze sonate zo essentiele triolen-beweging lijkt zij veeleer een musicienne van midden-Europese origine te zijn dan een Japanse. Haar studie in Wenen - zij studeerde bij Richard Hauser aan de Hochschule fur Musik en perfectioneerde haar spel bij Wilhelm Kempff en Stefan Askenase - hebben wat dat betreft een onuitwisbaar stempel op haar interpretaties gedrukt.

Misschien ook daarom spreekt Uchida als interpreet van de Weense scholen het meest tot de verbeelding, zoals in die prachtige reeks programma's waarin zij twee jaar geleden Schubert tegen over Schonberg plaatste. Haar recital van gisteren opende met Haydns Variaties in f, gecomponeerd ook weer in Wenen. Beheerst in tempo en vol kleur verwerkte Uchida de variaties tot een grote arcadeboog die zich op zeer persoonlijke wijze onderscheidde van de vele variatiereeksen die doorgaans schakeltje na schakeltje aaneengeregen worden.

De grote lijn, die verliest Uchida als een volleerd retoricus geen moment uit het oog. En die maakte ook de Sonate van Schubert zo opzienbarend. In de benadering van Uchida houdt Schubert bovendien de muziekgeschiedenis een lachspiegel voor. In het openings-allegro hoor je in de akkoordiek van het eerste thema Schumann en Beethoven (Waldstein-sonate!) passeren; in het tweede thema zijn het Mozart, Haydn en Mendelssohn die een bijna frivool woordje meespreken. In het `Con Moto' verwijst Schubert in zijn contrastwerking tussen de autonoom optredende timbres vooruit naar Debussy.

En voor wie het er in wil horen, knipoogt Schubert in het Scherzo, met Uchida als interpreet, naar Ennio Morricone. Dit is tijdloze muziek in optima forma.

De uitvoering van de 24 Preludes van Chopin kon hierna alleen nog maar tegenvallen. Natuurlijk, ook hier spreidde Uchida haar dwingende architectonische visie tentoon, maar haar masculiene spel was oorzaak van menige misslag. Chopins eigentijdse reactie op Bachs Wohltemperierte Klavier - in beide werken worden alle bestaande toonaarden doorwroet - verzandde nochtans een moment in een academisch aaneenschakeling van losse elementen maar werd opnieuw een monumentale cyclus, waarbij Uchida de delen soms hard edge naast elkaar plaatste. Neem de felle toccata-triolen van nummer 14 tegenover de nocturne-achtige ingetogenheid waarmee de vijftiende prelude (de bekende `regendruppel') begint. In een traploze dynamische vergroting liet Uchida deze vervolgens uitgroeien tot een hevig gehamer op die enkele toon. Dreinend en dreigend.