Leven van de pen

De Britse auteur Cyril Connolly (1903-1974) leed aan chronisch geldgebrek. Om zijn inkomen op te schroeven stelde hij voor de lezers om fooien te vragen, maar zijn uitgever vond dat geen goed idee. Vervolgens verspreidde Connolly onder collega-schrijvers een vragenlijst om erachter te komen of zij van het schrijven konden bestaan en zo niet, wat ze dan deden om rond te komen. Het resultaat van deze enquete verscheen in het tijdschrift Horizon.

Een paar jaar geleden trad Alain de Botton in Connolly's voetsporen. Hij enqueteerde zesendertig Britse schrijvers over hun materiele behoeftes en publiceerde op basis van de uitkomsten het boekje How much do you think a writer needs to live on? De meningen van de ondervraagde schrijvers bleken nogal uiteen te lopen en dat geldt ook voor de opvattingen van vrouwelijke Nederlandse auteurs die door Surplus over het thema geld aan de tand zijn gevoeld. Het blad stuurde de vragen van Connolly's enquete naar onder anderen Renate Dorrestein, Marion Bloem, Pamela Koevoets, Hermine de Graaf, Ellen Ombre, Anna Enquist en Helga Ruebsamen. Op de vraag hoeveel (netto per maand) een schrijver nodig heeft antwoorden de meesten: het minimumloon. Hermine de Graaf denkt dat twee- tot drieduizend gulden per maand toereikend is, Ellen Ombre vindt dat schrijvers het inkomen van een onderwijzer verdienen: f3500 netto.

Een andere vraag - die gisteren trouwens ook aan de orde kwam bij de uitreiking van de Generale Bankprijs - is of een regelmatig inkomen uit niet-literaire werkzaamheden het creatieve proces in de weg staat. De winnaar van de Generale Bankprijs, Herman Franke, is die mening kennelijk toegedaan, want hij vertelde dat hij zijn baan als criminoloog eraan heeft gegeven om ongestoord te kunnen schrijven. In Surplus krijgt hij steun van Helga Ruebsamen. `Het creatief proces eist 100 procent toewijding en 100 procent inzet', zegt zij. `Een bijbaan is een compromis'.

Nu is het zo dat maar weinig schrijvers van de pen kunnen leven en dus zijn er velen die dat compromis moeten sluiten. Op de vraag wat de meest voor de hand liggende manier is om geld te verdienen, antwoorden de meesten: lezingen geven en krantenstukken schrijven.

Anna Enquist, psychiater van beroep, vindt dat schrijvers het best datgene kunnen doen waarvoor ze zijn opgeleid. De vraag of jonge mensen met talent om economische redenen moet worden ontraden om schrijver te worden beantwoordt iedereen ontkennend. Renate Dorrestein: `Ik zou geen mens afraden om schrijver te worden. Er weegt gewoon heel veel op tegen de vaak zware arbeidsomstandigheden en de eeuwig durende onzekerheid.'

Een beginnend schrijfster die uit financiele frustratie bijna gestopt was, is Saskia van der Valk. Na een vierjarige opleiding aan de schrijversvakschool 't Colofon publiceerde ze twee boeken: Nachtlichaam (1994) en Wolfsgebroed (1998). Voor een derde boek, zo vertelt ze in Surplus, vroeg ze vergeefs subsidie aan bij het Fonds voor de letteren. Nu leeft ze van `schrijfopdrachten' die zich nauwelijks laten combineren met werken aan een een roman. `Als ik met een opdracht bezig ben, droom ik daar 's nachts zelfs van. Als je een goed boek wil schrijven, moet je van je boek dromen. Dan moet je ervoor zorgen dat de hoofdpersoon uit jouw boek door je onderbewuste loopt. ' Het ergert haar dat een secretaresse bij een uitgeverij meer geld krijgt dan zij, en dat ook de drukker en recensenten verdiend hebben aan haar boek, waar ze zelf maar 4000 gulden bruto voor heeft gekregen.

Misschien is het een troost dat ook schrijfsters die wel rijk worden van hun werk, niet per definitie gelukkig zijn. In Surplus staat een korte recensie van Lulu Wangs nieuwe boek Brief aan mijn lezers. Met haar debuut Het lelietheater waarvan over de honderdduizend exemplaren verkocht zijn en dat in vele talen is vertaald, moet ze een stevig inkomen verworven hebben. Desalniettemin mondt haar Brief aan mijn lezers volgens de recensente uit `in een bekentenis van extreme onzekerheid, fixatie en zelfmedelijden.'