Koningin van het levenslied

Mary Servaes-Bey (1919-1998), alias de Zangeres zonder Naam, voelde zich haar leven lang onderschat. Toch scoorde ze hit na hit met haar `uit het leven gegrepen' liedjes, en kreeg ze uiteindelijk zelfs rocktempel Paradiso aan haar voeten.

Mary Servaes-Bey alias de Zangeres zonder Naam, die vrijdag na een lang ziekbed op 79-jarige leeftijd is gestorven in een verzorgingstehuis in Horn, was naar eigen zeggen een `gevoelsmens' en haar liedjes kwamen `recht uit het hart'. Wie over smartlappen sprak, werd door haar met nauwelijks verholen ongeduld op de vingers getikt: haar liedjes waren `uit het leven gegrepen' - en de reacties van haar vele bewonderaars toonden onweerlegbaar aan dat ze de gevoelens van het volk vertolkte, ook als de intelligentsia daarop neerkeek.

Hoewel ze haar leven grotendeels in Limburg doorbracht, kwam Mary Bey uit Leiden; de ronde tongval uit die regio drong ook in haar liedjes door. Ze begon als zangeres bij feestorkestjes en vormde enige tijd een zangduo met haar broer Jerry. Maar haar ontmoeting met platenproducer Johnny Hoes, in 1957, veranderde alles: hij vormde de vrouw met het kindstemmetje om tot de zangeres met het mysterieuze pseudoniem, en verruilde haar repertoire van alledaagse liefdesliedjes voor het levenslied.

In haar memoires (Het verhaal van mijn leven, 1994) vertelt ze van de schrik die haar beving toen ze haar eerste plaatje op de pick-up legde: “Wat ik hoorde, was de stem van een kind. Wat hadden ze in de studio met de opname gedaan? Ik was een vrouw van 38 en ik verkeerde altijd in de veronderstelling dat mijn geluid sexy en ondeugend klonk.'

Ook haar doorbraak, met het klassieke Ach vaderlief, toe drink niet meer, was te danken aan Hoes. Zelf zag Mary Bey niet veel in het nummer, omdat zij en haar man Jo Servaes bang waren dat de cafes zo'n drankbestrijderslied niet in hun jukebox zouden willen opnemen. Het werd de eerste van haar talloze gouden platen.

Toch voelde ze zich door haar platenmaatschappij Phonogram met enige gene behandeld; als er feestjes werden georganiseerd, hoorde ze daar nooit echt bij. Met kinderlijke trots vertelde ze later dan ook dat ze tijdens haar tournees regelmatig een kleedkamer mocht delen met Mieke Telkamp en Corry Brokken: “We hadden elkaar altijd veel te vertellen terwijl we onze jurken stonden te strijken.'

Na een paar jaar richtte Johnny Hoes een eigen platenmaatschappij op, met de Zangeres zonder Naam als grootste ster. Hij cultiveerde haar ietwat slepende stemgeluid, waardoor de inhoud van de liedjes des te mistroostiger klonk. Zelfs het toch zo onbezorgde Mexico kreeg er iets klaaglijks van. De meeste omroepen vonden het Hoes-repertoire te banaal om er aandacht aan te besteden. Die houding sloeg pas om, toen de toneelgroep Scarabee haar eind jaren zestig vroeg een tekst van Lucebert, op muziek van Bruno Maderna, in te zingen voor een theaterproductie. Mary Servaes voelde zich vereerd, al liet ze Maderna's moeilijke muziek veiligheidshalve door haar vaste arrangeur tot een walsje bewerken. De volgende stap was de uitnodiging om in 1969 te komen zingen op het tv-huwelijk van Gerard (van het) Reve en diens Teigetje. “Ik was in een compleet nieuwe wereld terechtgekomen en ik voelde me er direct thuis', zei ze.

Dat gevoel was wederzijds, en werd des te sterker toen de Zangeres zonder Naam `in een kwartier tijd' de woorden op papier zette voor het lied Beste Anita waarmee ze fulmineerde tegen de homo-haat van de Amerikaanse activiste Anita Bryant: Maar beste vent, houd gerust van je vriend/ en strijd voor je rechten, desnoods ervoor vechten/ waar ze jou van beschuldigt, heb jij niet verdiend.

Het was haar enige eigen tekst, die door de ernstig bedoelde eenvoud van woordkeuze en voordracht niet naliet diepe indruk te maken.

Haar grootste flop was een plaat met vertaalde nummers van Edith Piaf, met wie Mary Servaes zich - vooral na een bezoek aan het graf van Piaf - verwant voelde. “Toen ik daar stond, dacht ik: dit is een ontmoeting van twee zangeressen die alle twee een volk warm hebben kunnen krijgen. En ik zei zachtjes: Edith, hier staat een collega van je.'

Volgens een ruwe schatting verkocht de Zangeres zonder Naam zo'n 16 miljoen platen. Ze kreeg in 1975 een Gouden Harp, waarna de eerdere winnaar Wim Ibo zijn onderscheiding terugstuurde omdat hij niet op een lijn wilde staan met zo veel wansmaak, en werd in 1980 ridder in de orde van Oranje-Nassau. Haar gouden platen kregen een ereplaats in haar witte bungalow in Stramproy, waar de brieven met leed uit het land zich opstapelden in de kamers vol smeedijzer en zachtroze porselein. Die brieven vormden haar grootste troost, als de pijn van haar heup weer eens opspeelde. Al sinds ze als kind op straat was gestruikeld, liep ze mank. Ook een bedevaart naar Lourdes kon de pijn niet verzachten.

Dat de Zangeres zonder Naam in 1987 afscheid nam in een volgestampt Paradiso zette haar nieuwe status kracht bij. Aan de verguizing was een eind gekomen, stelde ze tegenover een redacteur van NRC Handelsblad vast. Ook een interview in deze krant, die haar immers beschreven was als `de Rolls-Royce onder de dagbladen', zag ze als een teken dat de pers was opgehouden haar nog langer te kleineren.

Haar zwakke gezondheid maakte het haar echter onmogelijk op dat afscheid terug te komen. Alleen bij haar 75ste verjaardag verscheen de koningin van het levenslied nog een keer in het openbaar.

Sindsdien lag Mary Servaes ziek in bed in het verzorgingstehuis, waar ze vrijdag na een hartstilstand is overleden. Komende vrijdag wordt ze begraven in de gemeente Stamproy die haar bij haar afscheid tot ereburgeres had uitgeroepen.

Kort na dat afscheid kwam haar boek uit, waarvan de slotzin een laatste uithaal was naar degenen die zo lang meesmuilend over haar hadden gedaan: “Een koningin is onschendbaar'.