Een blijvend gemis

“Stel je voor', zei Cees Nooteboom afgelopen vrijdag in een interview in deze krant, “Vergilius wandelt in Los Angeles een grote boekhandel binnen en ziet zijn werk op de plank staan. Dat is natuurlijk maar weinigen gegeven.'

Dergelijke fantasieen zijn aantrekkelijk - net als de vraag wie uit onze tijd zou overblijven voor zoveel eeuwigheid, al laat de eeuwigheid zich niet in hoeveelheden meten. En stel je voor dat Vergilius had geweten dat zijn werk het gemakkelijk tweeduizend jaar zou uithouden. Stel je voor dat Nooteboom nu te horen kreeg dat mensen in 4004 nog steeds graag Rituelen zullen lezen. Dat is bijna bespottelijk om te denken, twee eeuwen zijn helemaal niet voorstelbaar of overzienbaar.

Maar toch. Homerus zou dezer dagen toevallig eens in Amsterdam moeten zijn, en eens moeten binnenlopen in het Muziektheater. Daar wordt de opera Il ritorno d'Ulisse in patria gespeeld, een bewerking van het laatste deel van zijn Odyssee, dat begint op het moment dat Odysseus wakker wordt aan het strand van Ithaka. De opera is van Monteverdi, ook al iemand die met enige tevredenheid onze hoofdstad zou kunnen bezoeken, en de librettist veroorlooft zich er een grapje in met de onsterfelijkheid van het verhaal van het beleg van Troje. Als Telemachus (de zoon van Odysseus en Penelope) weer thuis is van een reis die hem ondermeer naar Sparta, de woonplaats van Helena, heeft gebracht, vertelt hij zijn moeder over wat hij meemaakte. Wat hij meemaakte was vooral dat hij nu met eigen ogen Helena heeft gezien. En oei, wat is die nog steeds mooi. Telemachus is er kapot van. “Bestaat de hele wereld uit Paris', vraagt hij zich af “een Paris kan nooit genoeg zijn voor zo'n vrouw.' Zijn moeder is niet blij met dat gedweep. Om Helena brak de Trojaanse oorlog uit, om haar moest Ulisse ten strijde trekken, om haar zit zij nu al twintig jaar lang zonder man. Dus zij zingt: “Ik hoop dat dit verhaal [over Paris en Helena] gauw vergeten mag zijn.' Monteverdi's opera stamt uit de zeventiende eeuw. Toen werd dit onuitroeibare verhaal al ruim 23 eeuwen verteld. Homerus zou waarschijnlijk wel even gegiecheld hebben in zijn stoel.

Nog bijzonderder dan dat Homerus' werk het zo lang heeft uitgehouden is dat dit verhaal steeds weer opnieuw zo mooi en rijk blijft. Deze keer zag ik voor het eerst dat het grote wonder van deze terugkeer vooral is dat Penelope in staat is om Odysseus/Ulisse te herkennen, te geloven, weer aan te nemen als haar man.

Meer dan in de Odyssee is Penelope in de opera de hoofdpersoon, althans, ze is net zo belangrijk als Ulisse. We zien hoe ze vecht tegen ongeveer alles: tegen de vrijers tegen haar eigen zwakheden, tegen de mogelijkheid dat Ulisse nooit meer terug zal komen en tegen de mogelijkheid dat hij wel terug zal komen. Ze heeft in haar hoofd en hart een gemis dat niet meer ongedaan gemaakt kan worden - zoals Willem Jan Otten haar in de mond legde in zijn reeks gedichten over Penelope: “Jou willen is je missen. Het was missen/ op het eerste gezicht'.

Degene aan wie zij trouw is, degene wiens terugkomst zij verbeidt, dat is iemand die niet meer bestaat, een beeld in haar hoofd, een zelfgefabriceerde Ulisse, een jongeman al twintig jaar vergeten en al twintig jaar gereconstrueerd. Die man kan niet terugkomen. Die man bestaat niet. Iedereen weet hoe moeilijk het is om je iemand voor te stellen juist als je die graag voor je zou willen zien, soms lukt dat na twee weken al niet meer. Na een jaar zijn allerlei karakteristieke details, houding, stembuiging, hoofdbeweging, handen, gebaren, een bepaald trekken van de mondhoek allemaal verdwenen. Waaraan is Penelope precies trouw? Aan welke vervaagde herinnering? Aan welke voorstelling van zichzelf?

De Penelope van Graciela Aray is een monument van afweer een boze ongelukkige ijsberg van een vrouw die eruit ziet alsof zij nooit meer zal kunnen ontdooien. En dan komt toch Ulisse.

“Ja nu geloof ik je, ja nu herken ik je', zingt Penelope als Ulisse het beddenkleed beschreven heeft - in afwijking van Homerus' tekst waar het om de constructie van het bed gaat die niemand kan weten behalve Odysseus. Ze zingen elkaar toe en ze zeggen dat het verdriet voorbij is en dat nu alles goed is, een en al vreugde en vrede: Non si rammenti, Piu de tormenti; Tuttu e piacer.

Maar ze klinken helemaal niet blij. In de hele opera is geen weemoediger (noch mooier) lied te horen dan dit slotduet. Er rijzen al die jaren uit op van eenzaamheid en wachten, van ver van elkaar zijn, van een hopeloze scheiding die nu weliswaar voorbij is maar die daarmee nog niet ongedaan gemaakt is.

“Wanneer het geluk/ gekomen is, geeft het minder blijdschap/ dan wat een mens verwacht. Maar duidelijk/ is dit gewonnen: we zijn bevrijd van het hopen en/ van verwachtingen', dichtte Kavafis. Het gedicht waarin deze regels staan heet `Toen de wachter het licht zag' en het gaat over de terugkeer van Agamemnon en zijn gevolg in Argos. Hij trof zoals bekend een vrouw die de hereniging niet aankon, en ook niet aan wilde. Ze vermoordde de teruggekeerde krijgsheld. Klytaimnestra had, anders dan Penelope, niet met alleen maar een verlangen willen leven. Ze wilde een man, een echte.

Maar ook op minder mythisch niveau is het waar dat verlangen of gemis soms een eigen leven gaat leiden, verandert in een soort steen die niet meer gemakkelijk kwijt te raken is, die men zelfs niet eens meer kwijt wil. Omdat het het eigen bekende gemis is, omdat het deel is gaan uitmaken van hoe men zichzelf ziet.

Penelope en Ulisse zingen dat het verdriet voorbij en vergeten is, maar Monteverdi's muziek weet beter. Ook in de Odyssee barst het echtpaar niet in vreugdekreten uit, maar in tranen. “Zo zou beider geween tot de dageraad voortgeduurd hebben/ als niet de heldergeoogde Athene daar iets op bedacht had'.

Odysseus is al evenmin alleen maar blij. Hij heeft ook geleefd met het verlangen naar iets dat niet (meer) bestond. Zijn eigen Ithaka herkent hij niet als hij wakker wordt op de kust, hij denkt dat de Faiaken hem bedrogen hebben en hem op een of andere kaap hebben neergegooid.

Terwijl hij toch zoals we van Homerus weten, nacht na nacht van het rotsige Ithaka gedroomd heeft. Maar dat was Ithaka niet. Dat was een droom, een zo mooie dat het echte eiland hem armelijk toeschijnt. Dat hij zich van zijn doel niets had moeten voorstellen wist Kavafis trouwens ook al. In zijn beroemde gedicht `Ithaka' schrijft hij: “Ithaka gaf je de mooie reis./ Zonder dat eiland was je niet op weg gegaan./ Verder heeft het je niets meer te geven.'

Het was natuurlijk een vreselijk elitaire avond vol stokoude kunst daar in de opera, en er is veel subsidiegeld in gaan zitten en er waren ook heel weinig jongeren. Het was om zo te zeggen geen Van der Ploeg-avond. Maar het was wel een avond die de traditie bewaarde en vernieuwde en die, zonder daar nu speciaal op uit te zijn, liet zien hoe levend kunst is ook als zij al lang klassiek is. Homerus zou er vast ook erg van genoten hebben. Misschien wist hij het ook nog niet echt van Penelope, hoe moeilijk zij het vond om weer warm te worden, om zich weer in iemands armen te schikken, om de Odysseus-die-niet-terugkwam los te laten en te vervangen door een die wel terugkeerde.