Dichters in deftige Haagse ambassades

Dit jaar vond Literair Paspoort, het poeziefestival van de Stichting Dichter aan huis, niet plaats in woonhuizen maar in ambassades. “Wat zijn arme mensen toch grotesk', was een regel die in de Braziliaanse ambassade was te horen.

Er is een revitalisering van de poezie gaande volgens de ambassadeur van Belgie, die zaterdag zijn residentie openstelde voor een publiek van veelal oudere poezieliefhebbers. Het was zelfs op het journaal geweest het festival Literair Paspoort. Vierentwintig dichters uit vierentwintig landen lazen dit weekend, vergezeld van een Nederlandse of Vlaamse collega, voor in ambassades en ambassadeurswoningen in Den Haag en Wassenaar. Natuurlijk trekken de poeziefestivals van de Stichting Dichter aan huis vooral zoveel aandacht en publiek omdat ze de gelegenheid geven in de huizen van particulieren of, zoals dit jaar, in deftige Haagse ambassades rond te kijken. Het blijft echter een feit dat poeziebundels nauwelijks verkopen, en dat er tegenwoordig zelfs minder nieuwe poezietitels verschijnen dan vijftien jaar geleden, zoals de Stichting Speurwerk heeft onderzocht.

Bij de ambassadeur van Belgie zaten de Waal William Cliff en de Vlaming Stefan Hertmans (genomineerd voor de Generale Bank Literatuurprijs) onder de kroonluchter. Na enkele ingetogen gedichten van Hertmans las de grijsharige Cliff, een pseudoniem gekozen uit liefde voor de Britse popzanger Cliff Richard, op meeslepende wijze zijn franstalige gedichten voor. Met de eerste, `Le reve de Baudelaire', bewees hij tot de categorie van de `gedoemde dichters' te horen: `Komaan! giet mijn glas boor-/ devol in de weee nacht/ opdat ik de/ grijze haren/ van mijn schedel vergete!'

In de ambassade van Roemenie lazen Mircea Dinescu en Carla Bogaards. Dinescu (1950) is een legende in zijn land: in 1989 uitte hij felle kritiek op het regime van Ceaucescu, kreeg huisarrest en triomfeerde uiteindelijk toen hij op 22 december van dat jaar op de televisie de val van het regime kon afkondigen.

Daarna was hij enige tijd parlementslid en voorzitter van de Schrijversbond. Bogaards haalde herinneringen op aan een reis naar Roemenie in 1992. Ze was eregast op een diner in huize Dinescu (voor de revolutie een vochtige kelderwoning, erna een `huis van gigantische afmetingen'), waar ze met hem discussieerde over het feminisme en bijna op zijn grootmoedertje trapte.

Dinescu, enigszins priesterlijk gekleed in zijn donkere jasje zonder revers en witte boord, las in welluidend Roemeens zijn gedichten, die daarna in het Nederlands gelezen werden door vertaler Jan Willem Bos. Zoals de `Brief aan Vaclav Havel in de prullenbak gegooid', dat begint met de regels: `Havel, doe me 'n lol en trek je terug in een klooster./ Ik kan niet wennen aan de gedachte/ dat de adelaar/ werknemer is van de Stadsreiniging.'

Zondagmiddag bij de Franse ambassadeur, in een kamer met prachtige wandtapijten en een piano met daarop elf porseleinen papegaaien, las, of beter gezegd acteerde Bernard Heidsieck (1928) zijn gedichten, een soort monologen gericht aan kunstenaars als Bertolt Brecht en Brion Gysin: `Hallo Brion! Stoor ik? Mevrouw Rachou van beneden heeft me je nieuwe kamernummer gegeven... Weet zij eigenlijk dat jij dit het `Beat Hotel' noemt? Maar zeg es... Er hangt hier een lucht, jeetje wat een lucht! JA! dat is het... van zwavel...' Serge van Duijnhoven, die vertelde via Franse chansons met poezie in aanraking te zijn gekomen, droeg uit het hoofd rap zijn gedichten voor. Hij besloot met een mooie elegie voor Joris Abeling, de journalist die vorig jaar overleed tijdens zijn reis door Hongarije met Van Duijnhoven.

In een gigantisch landhuis in Wassenaar, de residentie van de ambassadeur van Brazilie, lazen Ledo Ivo en Cees Nooteboom hun gedichten voor.

Het publiek sloeg hier zo ijverig aan het fotograferen, dat het leek alsof we in Brazilie zelf op bezoek waren. De dichters lazen eerst in hun eigen taal, waarna de ander de vertaling (van August Willemsen) in het Nederlands of het Portugees voor zijn rekening nam. Aardig was het dat we uitgerekend in Wassenaar Ivo's `De armen op het busstation' te horen kregen: `Wat zijn arme mensen toch grotesk! En ook: wat kan hun lucht/ zelfs op een afstand ons nog hinderen!' Nooteboom besloot toepasselijk met een ode aan de poezie: `Nooit komt er meer een einde aan deze verslaving.'