De schaduw van het onverwerkte oorlogsverleden

Centrum '45, het landelijk instituut voor de behandeling van oorlogstrauma's, bestaat 25 jaar. Zowel oorlogsslachtoffers als hun kinderen kunnen er behandeld worden voor hun angsten, depressies en schuldgevoel.

Ze was veertien toen haar vader haar meenam naar zolder. Hij liet haar een insigne zien van de Binnenlandse Strijdkrachten. En een jodenster die hij van de jas van een jood had gerukt die hij achter op een tandem “door de linie had gereden'. Ze lette heel goed op, stelde een vraag die hij beantwoordde. Het was een unieke, geisoleerde, gebeurtenis. Daarvoor, noch daarna werd ooit met haar over de oorlog gesproken. Loodzwaar hing het onderwerp boven het gezin, ook de kinderen onderling praatten er niet over. Dat zou de ouders (ook haar moeder zat in het verzet) te veel pijn hebben gedaan.

Twee jaar geleden meldde Petra (52) uit Amsterdam zich met ernstige depressieve klachten bij Centrum '45 in Oegstgeest. In dit `Landelijk Centrum' zijn sinds 25 jaar ongeveer negenduizend mensen behandeld met een zogenoemde Post Traumatische Stress Stoornis (PTSS). Ex-verzetsmensen, joodse overlevenden van de Nazi-vernietigingskampen en mensen die de Japanse bezetting hebben meegemaakt, maar ook veteranen en burgerslachtoffers. Sinds een paar jaar komen er ook na de oorlog geboren kinderen uit joodse, Nederlands-Indische en verzetskring die in grote psychische nood verkeren.

Petra: “Ik had geen vat op m'n leven, er zat niets in.' Ze was nooit zelfs maar tevreden, alleen bezig zich te handhaven, te overleven. Langere relaties kon ze niet aan. Petra is een slachtoffer uit de na-oorlogse generatie die getraumatiseerd is geraakt door de onverwerkte oorlogstrauma's van de `eerste generatie'. Ze bezoekt de dagkliniek, waar ze met een groep lotgenoten gedurende een dag per week deelneemt aan diverse therapeutische activiteiten.

Niet iedereen die traumatiserende ervaringen meemaakt lijdt aan PTSS of hoeft behandeld te worden.

“Onderzoek wijst uit dat dat niet met iemands karaktersterkte of persoonlijkheid te maken heeft', zegt psychiater W. op den Velde. Hij is verbonden aan het St. Lucas Andreas Ziekenhuis in Amsterdam en vanaf 1980 part-time medisch adviseur van de Stichting '40-'45 (voor de belangen van ex-verzetsmensen oorlogsgetroffenen en hun `nagelaten betrekkingen'). Ook bij de na-oorlogse generatie heeft het ene kind meer last van de sfeer thuis dan het andere, wellicht door hun `emotionele structuur'. Petra komt uit een gezin van vijf kinderen en is de enige die hulp heeft gezocht.

Ook thuis bij Steef (50, uit een gezin van vier) was de oorlog taboe. Hij is van Nederlands-Indische afkomst en zit in de dezelfde behandelgroep als Petra. Sinds tweeenhalf jaar bezoekt hij de dagkliniek. Zijn vader die als dwangarbeider aan de beruchte Birmaspoorlijn had gewerkt, kreeg een zware hersenbloeding en moest dagelijks verpleegd worden. Steef kreeg er paniekaanvallen van, wilde dood. Zijn relatie liep stuk, op zijn werk functioneerde hij niet meer. Zelf legde hij verband met de oorlog. Steefs moeder had tijdens de Japanse bezetting van Nederlands Indie met zijn oudste broertje door de kampongs gezworven. Zij was zo donker dat ze voor een `inlander' kon doorgaan, maar dat maakte hun situatie niet minder gevaarlijk. Zowel de Japanners als de Indonesiers hadden het op `Indo's' voorzien. Steef: “Er was altijd angst bij ons thuis.' Zijn vader was onberekenbaar en agressief. Petra: “Onze ouders konden hun eigen emoties niet aan, laat staan die van hun kinderen.' Gevoelens werden weggestopt, beaamt Steef, die bestonden niet. Zij vingen eerder hun ouders op dan andersom.

Aan de oprichting van Centrum '45 is onlosmakelijk de naam van J.

Bastiaans (1917-1997) verbonden, hoogleraar psychiatrie in Leiden en geneesheer-directeur van de universitaire psychiatrische kliniek in Oegstgeest. Al vlak na de oorlog behandelde hij ex-verzetsmensen en overlevenden uit de vernietigingskampen. Zij leden zodanig aan slaapstoornissen, nachtmerries, herbelevingen, aan angsten depressies, schaamte- en schuldgevoelens of onverklaarbare huilbuien, dat normaal leven voor hen onmogelijk was. Bastiaans geldt hier als een van de `ontdekkers' van het post-concentratiekamp- of KZ (Konzentrationslager) -syndroom. Nu vangt men deze verschijnselen onder de noemer PTSS.

Bastiaans schatte het aantal lijders aan het KZ-syndroom op dertig- a veertigduizend, van wie tienduizend professionele hulp nodig zouden hebben. Eind jaren zestig ijverde hij voor de bouw van een speciale kliniek, waar hij de getraumatiseerden met het geestverruimend middel `LSD 25' wilde behandelen. Dat was een in psychiatrische kring zeer omstreden methode om onverwerkte trauma's op kunstmatige wijze bloot te leggen. Sommigen bleven er langdurig psychotisch van. Onder degenen die `genazen' met LSD was een ex-verzetsman, die vanaf zijn 21ste vier jaar verschrikkingen in concentratiekampen had overleefd. De filmer Louis van Gasteren maakte in 1969 onder de titel Begrijpt u nu waarom ik huil een aangrijpende documentaire van een LSD-behandeling van deze patient.

In februari 1972 werd de film op de VARA-televisie vertoond. Het was de tijd van het debat over de vrijlating van de `Drie van Breda', de Duitse oorlogsmisdadigers die levenslang hadden gekregen. Voor het eerst bleek welke invloed gebeurtenissen uit het heden op oorlogsslachtoffers kunnen hebben. Het debat en de film woelden massaal emoties los van joden en ex-verzetsmensen.

“Die uitbarsting kwam onverwacht', zegt psycho-analyticus H.M. Reijzer die in zijn algemene praktijk ook oorlogsgetroffenen behandelt. “Het was een `emancipatie van de getraumatiseerden', met als motto: `Nederland, gedraag je fatsoenlijk tegenover ons'.' In april 1972 werd de eerste paal van de `stress-kliniek' geslagen. Op den Velde: “Dat er een landelijk centrum kwam en nog steeds is, is een heel belangrijk signaal van erkenning van het leed van een omvangrijke groep mensen. Er was vanuit medische en psychiatrische hoek weinig belangstelling voor. De slachtoffers waren vergeten verwaarloosd.' Dat gold met name degenen uit `Indie'. Voor hen kwam pas midden jaren '80 aandacht.

Bastiaans werd geen directeur van Centrum '45, officieel omdat hij zijn hoogleraarschap niet wilde opgeven officieus omdat er in 1973 ruzie ontstond over zijn behandelmethode. LSD is in Centrum '45 nooit toegepast. De `clienten' werden - modern voor die tijd - in `deeltijd' behandeld, met groepstherapie. Lotsverbondenheid is nog steeds een van de pijlers waarop het centrum rust. Reijzer vraagt zich af of het werken met groepen die zijn samengesteld op basis van een noemer, PTSS, wel goed is. “Er speelt dan altijd het punt van `de hierarchie van het leed, `ik heb ergere dingen meegemaakt dan jij'.' Een psychotrauma kan volgens hem soms beter worden behandeld in een individuele psychotherapie, of in een gemengde groep met verschillende ziektebeelden. Reijzer: “Mensen hangen soms alles wat slecht gaat in hun leven aan het trauma op, teneinde verder voelen en nadenken over zichzelf te vermijden.' Toch ziet hij ook nut in de `herkenning'.

B. Gersons hoogleraar psychiatrie aan de Universiteit van Amsterdam: “Er is nog weinig onderzocht wat werkt en wat niet.

Het enorme voordeel van therapie met lotgenoten is dat je voelt er niet alleen voor te staan, niet de enige te zijn die met iets zit.' Gersons noemt Centrum '45 “een instituut om te koesteren'. “Ook internationaal doen ze goed mee. Ze volgen wat er gebeurt en vinden nieuwe behandelwijzen uit.'

Met de komst van psychiater J.N. Schreuder als directeur, in 1987, werd het gebouw gemoderniseerd en de uniforme behandelmethode losgelaten. “Elk lijden is uniek', zegt Schreuder. Naast een polikliniek, kwam er een kliniek met bedden voor clienten die de hele week klinische zorg nodig hebben. De staf bestaat uit zo'n 140 mensen. Niet iedereen die zich meldt wordt aangenomen, velen van na de oorlog worden doorverwezen naar een Riagg. Voor iedere client kwam `zorg op maat', waarbij de nadruk ligt op verwerken en elk onderdeel van de therapie een ander stukje aanpakt. In de groepspsychotherapie draait het om `betekenisgeving': de opgave van de getraumatiseerde te functioneren in deze maatschappij, ondanks de vreselijke dingen die hij heeft meegemaakt. Daarnaast zijn er `socio'-groepen, waar wel verband met het verleden wordt gelegd maar de nadruk op het heden ligt. Hier oefenen de clienten sociale vaardigheden, leert men `nee' te zeggen of iets aan een ander te vragen wat velen nooit durfden. Zij leren herkennen wat verwarring is, of verdriet, of blij zijn. Durven kwaad te zijn. Kunnen die dingen eindelijk gaan zeggen, niet alleen in de groep, ook daarbuiten.

Er is psychomotorische therapie: sport, spel en lichaamsoefeningen. In de creatieve therapie worden moeilijk te verwoorden ervaringen en gevoelens uitgebeeld. Marijke (57, `Jappenkamp'-kind, client sinds twee jaar): “Mijn eerste tekening had mijn kleinkind van vier ook kunnen maken.' Onlangs heeft ze een stevige kleine ijsbeer gebeeldhouwd.

Nico is 71, als 15-jarige zat hij in het verzet in `Indie' (waarvoor hij officieel erkend werd). Hij werd gemarteld door de Japanners. Sinds een jaar bezoekt hij de dagkliniek. “Het oorlogsgeweld zit in me', zegt hij, wijzend op zijn schilderij van een kapotgeschoten jachtvliegtuig. Later tekende hij een boom (“dat ben ik') met schapen en een herder, en een lucht vol onrustige wolken.

Sinds Schreuders komst is er aandacht voor onderzoek en wetenschap. Er zijn plannen voor een bijzondere leerstoel Psychotraumatologie. Schreuders droom is een academisch centrum waar de nieuwste behandelmethoden worden onderzocht en waar hulpverleners uit binnen- en buitenland te rade kunnen gaan. Een symposion komende vrijdag (`Niet alleen het verleden') geeft een overzicht van de stand van zaken op psychotrauma-gebied. Schreuder: “We moeten niet denken dat we er al zijn. Van de langdurige gevolgen van oorlog en vervolging weten we nog weinig.'

In de afdeling `De Vonk' in Noordwijk worden sinds 1994 asielzoekers en erkende vluchtelingen opgenomen, met zulke ernstige klachten dat er vaak alleen aan symptoombestrijding wordt gedaan. Een jaar geleden werd het dagbehandelingscentrum `De Schalm' in Amsterdam geopend een samenwerkingsverband van Centrum '45 en de Sinai-kliniek in Amersfoort. De behandelmethoden, evenals de doelgroep, zijn geent op die van Oegstgeest.

Het merendeel van de huidige clienten van het Centrum heeft als kind in `het Jappenkamp' gezeten. Zij lijden aan de bovenbeschreven symptomen, zijn vastgelopen. Zij hebben hun ervaringen opgepot, wantrouwen bijna iedereen. Ook de allernaasten wisten vaak niet wat er met hen aan de hand was. Dachten dat hun vader, moeder, vriend of vriendin `sterk' was.

Acht mannen en vrouwen (onder wie `kamp-kinderen' van Nederlandse en Nederlands-Indische afkomst), tussen de 50 en 60 jaar) spreken onder begeleiding van twee therapeuten over lotgenootschap. Ze spreken over onderlinge veiligheid, vertrouwen in elkaar. Hier durven ze zich afhankelijk te voelen. Proberen ze de schaamte af te leggen, dat ze het alleen niet konden redden. Hier leren ze, heel moeizaam, hun grenzen te kennen en structuur in hun leven aan te brengen. Hanneke, die met haar moeder rondzwierf buiten de kampen: “Ik voel me vijf jaar. Ik heb moeite met verbaliseren, toen de oorlog begon had ik nog geen woorden.' En: “Je denkt altijd dat je zelf het ergste hebt geleden.' Willem (kampkind): “Voor buitenkampkinderen was het ook erg gevaarlijk.' “Het lijkt hier wel een Indische koempoelan', zegt Jet. Haar vader zat in het verzet, overleed in de oorlog. Ze voelt zich buitengesloten, de enige met een andere achtergrond. Nico, de oudste van het gezelschap, troost haar. “Verdriet is verdriet en oorlog is oorlog.'