Achter de horizon

Theaterfestivals overspoelen in de zomer het land. Op werven, terpen, in loodsen, schaapskooien, rietlanden, op het strand, in het bos, overal zijn voorstellingen te zien. Vroeger niet. In mijn zomervakanties arriveerde alleen mijn grootmoeder uit Amsterdam. Ze was actrice. En met haar kwam voor mij een schaduw van het grootsteedse leven naar de provincie.

We haalden haar in Alkmaar van het station. Daar begonnen de verhalen. Het polderland verbleekte. Mijn fantasie verdwaalde in de stad, waar sterren rezen uit het anonieme duister en andere doofden door de enkele pennenstreek van een recensent. Ik maakte vluchtig kennis met briljante voorstellingen, de roes van het succes, de kater van de mislukking roddels over actrices...

Ze liet als de herfst begon een leegte achter. Dan verdampte de wereld van mensen die zich bewogen in ateliers, op podia, in cafes en wier woorden en gebaren nagalmden in mijn geheugen. De verhitte gesprekken aan tafel over de kwaliteit van een voorstelling bleven achterwege en maakten plaats voor het dagelijkse ritme van lessen op school en lange avonden.

Toneel was iets dat tussen twee zomervakanties ver weg bleef, een vermoeden achter de horizon waarover alleen de krant soms berichtte. Een enkele maal zocht het toneel ons op. Het betrof dan een voorstelling voor de middelbare scholen in een zaal van het Gulden Vlies. Meestal was het een ramp voor alle betrokkenen. Na het opgaan van het doek was al snel beslist of de spelers in hun eigen spel konden gaar koken. Meer dan eens gingen de zaallichten opnieuw aan en viel een acteur uit zijn rol om de jeugd tot de orde te roepen. Na deze luwte stak de storm weer in alle hevigheid op. Leraren probeerden wanhopig de wilde zee te bedaren. Maar ze waren zo in de minderheid dat ze hun pogingen op den duur staakten en de voorstelling vaak voortijdig werd beeindigd en iedereen weer met een kater in het Noord-Hollandse daglicht stond. Voor mij waren deze sessies een bron van gene. Ik was een enkele keer in Amsterdam naar de schouwburg geweest, waar met het doven van het zaallicht een gewijde stilte viel.

`Nooit kritiek in de schouwburg', had mijn grootmoeder me geleerd. Zelfs in de pauze onthield men zich van commentaar. Nu vielen de rode lopers, de kroonluchters, het pluche, het geklede publiek van de hoofdstad niet te vergelijken met de kaalheid van het Alkmaarse Gulden Vlies. Maar toch woei er met elke voorstelling iets over uit de grote stad, iets dat te maken had met de verhalen van mijn grootmoeder.

De schaamte was het grootst als een tante van mij voor de scholen optrad met een programma van liedjes en voordrachten. Ik kende haar als een vrouw die - bij ons op bezoek - alle aandacht naar zich toetrok met haar praten en lachen. “Een echte comedienne', zei mijn grootmoeder over haar en ik wist niet of ik dat als een compliment of als een beperking van haar talent moest opvatten.

Maar in het Gulden Vlies stond ze, met het opgaan van het doek, moederziel alleen op de scene, tegenover leerlingen wier tante ze niet was en die de verhalen van mijn grootmoeder niet kenden. Ze zong - in het Frans - over een slager die van drie kinderen gehakt maakte, over een op zee verdwaald schip waarvan de uitgehongerde bemanning elkaar dreigde op te eten, over Marlbourg die ten strijde trok en van wie alleen God wist wanneer hij terug zou keren. Ook nu dreigden gejoel en chaos.

Achteraf zocht ik haar op in de kleedkamer, waar de gehaaste, vlot babbelende actrice de laatste resten schmink van haar gezicht verwijderde. Een vluchtig afscheid was het einde van een kortstondige illusie.

Ik herinner me slechts een keer het Gulden Vlies op eigen initiatief te hebben bezocht. `Koning Lear' stond aangekondigd. Het was niet uitverkocht. Het was een doordeweekse dag en het zien van Albert van Dalsum voor de meeste burgers een te grote inbreuk op de gewone gang van zaken.

Het drama van Shakespeare ontrolde zich op het kleine toneel dat bijna uit zijn voegen barstte. Met schallende stemmen struikelden heftig transpirerende acteurs over elkaar en bleven zichtbaar in de coulissen omdat ruimte om af te gaan ontbrak. Van de scene kwam een lucht van schmink en zweet. In de lichtbundels dwarrelden wolken stof.

Er was een man die de scene beheerste en voor wie alle decor opgebouwd en alle mankracht aangesleept leek. Hij worstelde zich door de eenzaamheid en het noodweer en knielde met zijn vet geschminkte kop, wit geverfde haar en aangeplakte baard voor het voetlicht: 'Blaas, winden scheur uw wangen! Woed en blaas!' Zijn ogen - als van opgejaagd wild - weerkaatsten het licht. “Gij, stortregens en orkanen, spuw en spoel...!'

Ik zat vooraan en voelde hoe droppels zweet en speeksel mijn gezicht raakten. Ik dacht verpletterd te worden door het verdriet van die man alleen op de hei, op het punt krankzinnig te worden.

Ik besefte niet dat ik theater zag, zoals het nooit meer zou zijn, dat ik terugblikte in een tijd die nog ternauwernood stand hield. Het applaus schoot erbij in. De acteurs haastten zich om de laatste trein naar Amsterdam te halen. Koning Lear had de provincie overleefd.

Daarna was het wachten weer op de zomer, op mijn grootmoeder. Het zou nog jaren duren voor theaterfestivals de provincie bereikten.