Zusters

De monetaire mandarijnen van het Internationaal Monetair Fonds zijn gewend aan kritiek, maar de stortvloed van verwijten die ze sinds het begin van de crisis in Azie over zich heen hebben gekregen, heeft ze geschokt.

Volgens sommigen hebben de aanpassingsprogramma's van het IMF de crisis aanvankelijk verergerd, anderen beweren dat het IMF medeverantwoordelijk is voor de wereldwijde besmetting met het crisisvirus en moet worden opgedoekt. De bestaansgronden van het Fonds worden in twijfel getrokken. Dat doet pijn.

Bij de Wereldbank ziet men met nauwelijks verhuld genoegen dat het IMF in de schijnwerpers staat. Enkele jaren geleden was dat anders: toen demonstreerden mensenrechten- en milieu-activisten tegen het Wereldbankbeleid. De grote projecten ontbeerden maatschappelijk draagvlak ze beroofden arme mensen van hun grond, ze waren schadelijk voor het ecologische evenwicht. In 1994 beschuldigde de Amerikaanse milieu-activist Bruce Rich in een veelgeciteerd boek de Wereldbank van massavernietiging van mensen en milieu.

Nu koestert de Wereldbank zich in de luwte en benadrukken woordvoerders in alle toonaarden het onderscheid met het Fonds.

Dat blijft lastig. De kantoren van de twee zusterinstellingen staan naast elkaar, waarbij de gebouwen van de Wereldbank vijf of zes blokken beslaan en dat van het IMF een. De instellingen hebben weliswaar een verschillende taak - het IMF kortlopende betalingsbalanssteun, de Wereldbank langlopende, structurele hulp - maar er bestaat zoiets als de `Washington consensus', een door beide instellingen gedragen geheel van economische uitgangspunten. De Wereldbank is bovendien langer actief betrokken bij de huidige Aziatische crisislanden dan het IMF. Toen het nog goed ging met de Aziatische `tijgers' hadden die het IMF niet nodig, terwijl de Wereldbank daar wel ontwikkelingsprojecten financierde.

Bij medewerkers van de Wereldbank is de ontreddering over de Aziatische ineenstorting groot vooral over de toestand in Indonesie, jarenlang beschouwd als een modelland van succesvolle ontwikkeling. In Indonesie bleek bovendien sprake te zijn van corruptie in projecten die door de Wereldbank werden gefinancierd.

“De Azie-crisis noopt ons tot grotere bescheidenheid en dwingt ons tot bezinning op onze rol', erkent Mark Malloch Brown vice-president belast met externe betrekkingen.

“Wij zijn ook niet heilig geweest, en een deel van de kritiek op het IMF slaat ook op ons neer.' Hij laat er meteen op volgen: “Het Oost-Aziatische economische wonder (de Wereldbank publiceerde in 1993 een lyrische studie met die titel) is geen luchtspiegeling geweest. Het model had zijn tekortkomingen en er was corruptie, maar er is wel degelijk iets bereikt. Wij weigeren te geloven dat de inspanningen van dertig jaar voor niets zijn geweest.'

Ook Mark Baird, vice-president belast met strategisch beleid, verdedigt de rol van de Wereldbank. “We hebben - vooral in Indonesie - onvoldoende gelet op behoorlijk bestuur en corruptie', zegt hij. “Maar moesten we Indonesie daarom opgeven? Nee. Je moet betrokken blijven bij een land, ook als het daar niet voor honderd procent deugt.'

Wereldbank-president James Wolfensohn hamert sinds zijn aantreden in 1995 op het belang van behoorlijk bestuur en bestrijding van corruptie in landen waar de Wereldbank projecten financiert. In de ogen van de staf van de Wereldbank heeft de Aziatische crisis de urgentie van deze aanpak versterkt.

Daarbij schuwt de Wereldbank het interne debat niet. Boegbeeld hiervan is Joseph Stiglitz, de topeconoom van de Wereldbank die met zijn uitspraken publiekelijk afwijkt van de gangbare Wereldbanklijn. Ook al zijn Stiglitz' meningen niet die van de Wereldbank en worden zijn opvattingen niet overgenomen in het beleid, hij krijgt wel de ruimte om zijn dwarse visie uit te dragen.

De kritiek die is losgekomen in de Azie-crisis dwingt het IMF tot een mentaliteitsverandering zoals de Wereldbank die midden jaren negentig doormaakte. Grotere openheid naar de buitenwereld, meer vrijheid voor interne discussies, meer aandacht voor de landen-specifieke omstandigheden.

“De wijze waarop het IMF zaken doet, is achterhaald. Ze waren gewend aan de mechanische aanpak van betalingsbalanscrises en dat werkt niet meer', zegt een waarnemer.

De woordvoerders van het IMF reageren gelaten op alle kritiek. Er is wel degelijk gedetailleerde kennis per land beschikbaar, de IMF-programma's verschillen van land tot land. Anderzijds erkennen ze dat het IMF, onder druk van de omstandigheden, de crisisprogramma's in Azie inmiddels heeft aangepast.

De traditie van het IMF is om besloten overleg te voeren met centrale bankiers en ministers van Financien. Deze IMF-aanpak was toegesneden op landen waar buitenlandse schulden van overheden het probleem vormden, niet schulden van het particuliere bedrijfsleven en een zwakke financiele sector. Het IMF propageerde de voordelen van geliberaliseerde kapitaalmarkten, maar met de negatieve effecten van kortlopend flitskapitaal wist men zich geen raad.

Er zullen altijd verschillen tussen de twee instellingen blijven bestaan, ook in de beeldvorming naar de buitenwereld. Het IMF wordt in acute crisissituaties ingeroepen en moet zich in panieksituaties staande houden. De Wereldbank legt de nadruk op langlopende ondersteuning op een breed terrein van ontwikkeling. Dat biedt betere mogelijkheden voor maatschappelijke profilering - armoedebestrijding spreekt meer tot de verbeelding dan de aanpak van financiele crises. Maar zonder dat laatste is het eerste niet mogelijk.