Zelfs vuil en rommel worden schoon en mooi; Foto's van Thomas Struth op overzichtstentoonstelling in Stedelijk Museum Amsterdam

De titel van de overzichtstentoonstelling van Thomas Struth, Still, is goed gekozen. Zelden zag ik zulke doodstille stadsgezichten en zulke roerloze portretten als die van Struth.

Het Stedelijk Museum toont 55 foto's van Struth, van opnamen uit de jaren zeventig van straten in onder andere New York, tot recente opnamen van Chinese steden. Struth (geboren in Geldern, 1953) studeerde aan de kunstacademie van Dusseldorf bij Gerhard Richter en bij het echtpaar Berndt en Hilla Becher. Zij leerden hem zijn onderwerpen te benaderen op een strenge methodische manier, afstandelijk en nauwkeurig tegelijk. Zijn zwart-wit foto's van verlaten straten tonen duidelijk de invloed van de Bechers, die bekendheid kregen met hun fotografische inventarisatie van industriele monumenten - bruggen, verbrandingsovens, gasopslagplaatsen enzovoort - in het Roergebied. De mens is uit deze beelden geweerd, ook al zijn het bij uitstek door de mens gemaakte `landschappen'. De nadruk ligt op het motief, dat tijdloos en esthetisch is.

Struth vond zijn eigen benadering van de fotografie aan het einde van de jaren tachtig. Hij stapte over op kleur, vergrootte de formaten en, de belangrijkste verandering, nam mensen op in zijn foto's. Eerst ontstonden de `museumfoto's', grote kleurenopnamen (van bijvoorbeeld 185 x 220 centimeter) van bezoekers in musea of in kerken waar kunst is te zien. Het contrast op de foto's tussen de stille, monumentale kunstwerken en de ordeloze groepen toeristen is groot. Geconcentreerd kijken is er nauwelijks bij, de meeste bezoekers zijn met andere dingen bezig. Deze museumfoto's zijn grote glossy beelden die door Struth worden gepresenteerd als schilderkunst, met zware donkere lijsten eromheen en achter hinderlijk spiegelend glas. Geexposeerd in het museum lijken ze met schilderijen te willen concurreren, een wedstrijd die door de fotografie hopeloos verloren wordt.

Juist doordat ze zo chique en opgeblazen worden gepresenteerd, vestigen de foto's de aandacht op hun `onechtheid': wij doen alsof we schilderijen zijn, maar we zijn het niet.

Er zijn ook museumfoto's waarin het niet om een contrast gaat, maar juist om een samenspel tussen de gefotografeerde kunstwerken en het publiek dat er voor staat. Bij een wilde action painting van Jackson Pollock staan dus druk bewegende bezoekers, terwijl voor twee portretten van oude mensen door Rembrandt een oude grijze heer staat. Dit alles is zo simplistisch en anekdotisch dat deze foto's een dieptepunt op de tentoonstelling zijn.

In zijn kleurenfoto's van steden in China en Japan is Struth er wel in geslaagd om mens en omgeving op een interessante manier bij elkaar te brengen. Van alles door elkaar heen is hier te zien zonder accenten of hierarchie: lampen, fietsen, elektriciteitsdraden bomen, lantaarnpalen, marktkraampjes, mensen, ijzeren balkonnetjes uithangborden, plastic flessen. Al deze dingen zijn even belangrijk - waardoor dus niets echt belangrijk is. De foto's hebben een dicht oppervlak, alles vraagt in gelijke mate om aandacht. Ze illustreren wat Roland Barthes in zijn beroemde essay La Chambre claire (1980) `de mateloze chaos van de voorwerpen in de wereld' noemt.

Een verontrustende chaos is het niet, want de werkelijkheid wordt door Struths manier van fotograferen netjes gladgestreken, zelfs vuil en rommel worden schoon en mooi. Schoonheid is hier arbitrair - hier een rood lint van coca cola-reclameborden, daar een beeldrijm van grafzerken en wolkenkrabbers. De camera zoals Struth die hanteert engageert zich niet met de wereld maar registreert alleen. In dat ene fotografische moment van ongeengageerd kijken zijn mensen en dingen bewegingloos gevangen.

Ook de portretten van Struth hebben die roerloosheid. Hij fotografeert iedereen op dezelfde afstandelijke manier: of ze nu in New York of in Shanghai wonen, alle personen zitten of staan frontaal voor de camera en blikken zo neutraal mogelijk voor zich uit. Ze zijn onbewogen in de dubbele betekenis van het woord, met uitzondering van een enkel klein meisje dat het niet kan laten om een bloot teentje te laten wiebelen. Ook al is iedere rimpel, iedere oneffenheid op de huid zichtbaar, deze mensen geven niets van zichzelf bloot. Het is als met de stadsfoto's, het beeld bevindt zich pal aan de oppervlakte, je kan er niet in doordringen. Maar terwijl in de stadsgezichten het stilzetten van levendige taferelen iets fascinerends heeft, laten de bevroren portretten een gevoel van leegte achter.