Volle dijken, lege kamers; Hoeksche Waard als case study voor verstedelijkend Nederland

De Hoeksche Waard schurkt tegen de regio Rotterdam aan, maar heeft niets met de stad te maken. Knotwilgen, eenzame boerderijen en de stilte bepalen al eeuwen de sfeer. Hier doemt de vraag op of Nederland moet blijven verstedelijken of dat er ruimte moet zijn voor leegte.

Een rij essen langs het asfalt, een rij onder aan de dijk. En dan aan de andere kant hetzelfde. Vier rijen essen omzomen deze weg middenin de Hoeksche Waard. Een rijk gevoel, deze infrastructuur uit een andere tijd. Kunnen bomen een erehaag vormen? Bewoning en beplanting kruipen bij elkaar langs de dijken die deze polder onder Rotterdam dooraderen. Links en rechts ervan is het leeg, of open - dat moet ieder voor zichzelf beslissen - en liggen er grote, losse elementen in het landschap. Hier een boerenhoeve in het groen, daar een ruim bemeten carre van fruitbomen aan drie kanten door hoge hagen tegen de wind beschermd. Volle dijken lege kamers.

In de loop van meer dan zeven eeuwen is deze polder op de delta veroverd en tot een vruchtbaar landbouwgebied gemaakt. Heel Hollands. Het opmerkelijke ervan is dat het nog zo leeg is. Of open. Als een zoetwaterlens ligt het verscholen onder de Randstad, ingeklemd tussen het Hollands Diep en de Haringvliet. De A29 loopt er overheen, maar het echt drukke verkeer tussen Rotterdam en Antwerpen loopt er langs. De mensen die er wonen hebben het over `het eiland' en dat is het ook door bruggen en tunnels en een pont aan de buitenwereld vastgeniet. Rotterdam, dat is `de overkant'.

Dat wil niet zeggen dat de moderne tijd onopgemerkt aan de Hoeksche Waard voorbij is gegaan. De druk van de stad op het agrarisch gebied is al voelbaar. De randen van de dorpen vertonen de `witte schimmel' van uitbreidingen met inwisselbare nieuwbouw de middagzon glinstert op de langgestrekte ribbelwanden van districentra. Oud-Beijerland bouwt hard aan een eigen kantorenpark en de supermarkt lokt klanten met `200 gratis parkeerplaatsen!', in Strijen wonen asielzoekers en Klaaswaal heeft een Buffalo Steak House - `the real Western feeling' - met een opgezette bison bij de deur die voor intimi Harry de Hengst heet.

Aan de overkant van de rivier, die haast onzichtbaar achter de buitenste dijken loopt, steekt de buitenwereld de kop op: woontorens van Spijkenisse, 's avonds de verlichte pijpen van Pernis.

En er staan de Hoeksche Waard - bekend om zijn knotwilgen, vergezichten en het gereformeerde geloof - nog veel ingrijpendere veranderingen te wachten. De hogesnelheidslijn zal er (zonder tunnel) doorheen gieren en het nieuwste streekplan van de provincie Zuid-Holland voorziet in grootschalige bedrijvigheid: 250 hectare bedrijventerreinen in het noorden en nog eens zo'n hoeveelheid glastuinbouw in het zuiden van het eiland. Er is ook een plan om in de rivier naast het eiland Tiengemeten, dat de Vereniging Natuurmonumenten nu als natuurgebied inricht, een opslag voor giftig slib aan te leggen. De komende twintig jaar worden er in de omgeving dertig miljoen kubieke meter baggerspecie uit de rivieren gehaald; ergens tussen de Moerdijkbrug en de oostkant van Tiengemeten moet die opgeslagen worden. Als het depot na een jaar of twintig vol is, gaat er folie overheen en kan het ook natuur worden. Van boven althans.

Koloniseren

Zo ondergaat de zuidflank van de Randstad een abrupte metamorfose van open agrarisch gebied naar rafelrand van de metropool. Daarom heeft de Stichting Architecture International Rotterdam (AIR) de Hoeksche Waard gekozen als onderwerp van haar inmiddels zesde manifestatie, nu met de titel `AIR-Zuidwaarts/Southbound'. De afgelopen maanden zijn zes beeldend kunstenaars, vier vormgevers, vier fotografen en acht filmmakers in opdracht van AIR aan het werk geweest in de Hoeksche Waard; de resultaten presenteren zij deze week op een driedaagse conferentie. Beeldend kunstenaar Hans van Houweling bijvoorbeeld interviewde bewoners van de polder op film; de Noor Henrik Hakansson ging uit vogelen en maakte een lijst en een kaart van de gesignaleerde soorten.

Middenin de akkers bij Klaaswaal stond deze zomer het bewoonbare kunstwerk Het Observatorium, een podium met daarop drie `gebouwen' waar geinteresseerden 24 uur lang mochten verblijven. Een van hen was burgemeester Nanny Peerebom van de Hoeksche-Waardse gemeente Strijen. Vooral de plannenmakers van rijk en provincie zouden dat ook moeten doen, zei ze tegen het Rotterdams Dagblad. “Ze zullen schrikken van de rust.' Het voornaamste verschil met thuis was overigens dat ze nu eens niet wakker werd van de eerste ZWN-bus, maar van een tractor.

Door de kunstenaars geinspireerd gaan na de conferentie vier Nederlandse en vier buitenlandse bureaus op het gebied van architectuur, stedenbouw en landschap zich buigen over de toekomstige inrichting van de polder. De uitkomsten - eerder visies, gedachten en aanzetten dan letterlijk uit te voeren ontwerpen - worden volgend voorjaar gepresenteerd in Rotterdam en in de Hoeksche Waard.

“Het thema `Zuidwaarts' heeft te maken met een verschuiving van de economische assen in Europa', zegt Anne-Mie Devolder, hoofd van de sectie architectuur bij de Rotterdamse Kunststichting en coordinator van AIR. “Wat altijd oost-west was, de verbinding met het Roergebied, is nu noord-zuid: Amsterdam, Rotterdam, Lille, Brussel, Parijs, Milaan. Binnen de Hollandse delta is de Hoeksche Waard een actuele casus. Door de plannen voor verstedelijking komen daar nu veel fundamentele vragen aan de orde. Moeten we doorgaan met suburbaniseren en de grote open landschappen in kleine parken blijven versnipperen? Worden die grote landschappen alleen gekoloniseerd voor de stad, voor woningbouw, voor de haven?'

De ontwikkelingen ten zuiden van Rotterdam drijven de relatie tussen stad en platteland op de spits, tussen het stedelijke en het rurale.

Devolder: “Ruraliteit is vooral een mentale constructie. De stad heeft een romantische voorstelling van het platteland, daar is het nog idyllisch en vooral authentiek. Maar de ruimtelijke en sociale werkelijkheid van het platteland is heel anders.' Vooral de mensen die er wonen zullen benieuwd zijn naar het antwoord op de vraag, of dit open landelijke gebied in de ogen van de stad een wingewest is of een groene oase.

Een van de vier Nederlandse bureaus die zijn gevraagd over de inrichting van de Hoeksche Waard na te denken, is dat van Frits Palmboom en Jaap van den Bout. Ruraal is het bij hen op kantoor allerminst, op elf hoog met een panoramisch uitzicht over de Maas en de Rotterdamse binnenstad. In voorbereiding op de conferentie hebben ze vandaag een excursie georganiseerd met het hele bureau. Met drie auto's reizen we in kolonne af naar het zuiden, langs het ontzagwekkende nieuwe knooppunt bij Ridderkerk, langs Barendrecht en dan, vanaf de oostkant, door de tunnel bij 's-Gravendeel het eiland op.

Ineens is het leeg. Of open. Op de weg liggen nog de modderkluiten van het landbouwverkeer. De spruitjes staan fier op het land, de rechthoekige hooibalen zijn opgestapeld tot gedrongen bouwsels. We koersen over een strakke, rechte onbeplante weg die tot onverantwoord inhaalgedrag uitnodigt - totdat er bij Maasdam een rotonde opdoemt om de overmoedige automobilist te temmen. “Ik kan me de Hoeksche Waard moeilijk voorstellen als een verdwaalde uitbreidingswijk van Rotterdam', zegt Frits Palmboom. “Het heeft een andere sfeer. Als je dit ziet dan moet je je wel afvragen of we een sprong in de leegte moeten maken, of niet beter de bestaande steden dichter kunnen bebouwen.

De Hoeksche Waard heeft wel een sterke binding met Rotterdam, maar zal zich er nooit een deel van voelen.'

Die binding is fysiek zichtbaar. Achter de karakteristieke zwartgeteerde schuren aan een dijk doemt in de verte de medische faculteit van de Erasmus op. Bij Puttershoek is een aantal boerderijen een nieuw leven begonnen als showroom; achter de bakstenen suikerfabriek er tegenover liggen schepen hoog beladen met bieten te wachten. Vlak voor Oud-Beijerland, van oudsher een zelfbewuste handelsplaats en de meest stads aandoende plaats op het eiland, verrijst een reeks kantorenvilla's; in de berm er tegenover graast een geit overstoorbaar verder. De zeilen van een boot schuiven achter de dijk en voor de PTT-mast aan de Rotterdamse Waalhaven langs. Om in het kleinschalige Nieuw-Beijerland te komen, passeren we een periferie van moestuinen, een autowasstraat, een metaalconstructiebedrijf en een lange rij hoogspanningsmasten. Ruraal als het hier is, de stad is nooit ver weg.

Ambachtsheerlijkheid

Wat valt er hier nu aan te ontwerpen? “Dat vraag ik me ook af', zegt Jaap van den Bout in alle eerlijkheid. “Wat ik hier mooi aan vind is volstrekt onverenigbaar met het maken van iets nieuws. Ik denk dat de voornaamste taak van de ontwerper hier zou moeten zijn het doorbreken van het automatisme, dat grootschalige leegte niks is. Leegte is open ruimte en die is steeds schaarser.'

In de film van kunstenaar Hans van Houwelingen zegt een van de geinterviewden het nog kernachtiger: “En zeg nooit tegen mij dat de Hoeksche Waard leeg is, want dan krijg je gigantische ruzie met me.'

In de Hoeksche Waard zien sommigen Stichting AIR als een vooruitgeschoven post van de provincie en haar plannen.

Pas op, was de strekking van diverse ingezonden stukken in lokale kranten als Kompas, met die kunstenaars en ontwerpers staat de grote stad al op de stoep. Deze argwaan lijkt niet terecht: de provincie is weliswaar een van de subsidiegevers van AIR, maar ook de gemeenten van de Hoeksche Waard betalen mee. Het zijn juist de gemeenten die bezwaar hebben tegen de provinciale voornemens. AIR-coordinator Anne-Mie Devolder: “Met deze manifestatie zoeken we naar kritische distantie, zowel tegenover stuurloze verstedelijking als tegenover al te simpele behoudzucht.'

De provincie Zuid-Holland heeft al een jaar of vijf geleden de mogelijkheid geopperd om in dit lege - open - gebied een aantal functies onder te brengen waar Rotterdam zich geen raad mee weet. Zo voorziet het nieuwe streekplan, waarover de inspraak over een week afloopt, in 250 hectare bedrijventerreinen aan de noordkant ten behoeve van de haven, en 265 hectare kassen aan de zuidkant. Terwijl de zuidkant van de Hoeksche Waard landschappelijk gezien juist een van de mooiste gedeeltes is: dit was in de veertiende eeuw de Ambachtsheerlijkheid Cromstrijen, een samenwerkingsverband van toenmalige grootgrondbezitters. Het is altijd prive-bezit gebleven, nu van verzekeraar en belegger Amev.

De vraag is of de plannen van de provincie in het belang van de Hoeksche Waard zijn. “Het gaat om het belang van de Rotterdamse regio', zegt PvdA-gedeputeerde voor Zuid-Holland Jaap Wolf. “In dat licht bezien is dit aanvaardbaar.' Het gaat namelijk helemaal niet zo goed in vergelijking met Amsterdam, Utrecht en omgeving zegt hij. “Sinds een jaar of twee blijft de Rijnmond aanzienlijk achter. Brabant en Gelderland zijn beter bereikbaar en de grond is goedkoper.

Bovendien heeft Brabant een aantrekkelijk vestigingsklimaat en ligt het gunstig ten opzichte van Duitsland. De zuidvleugel van de Randstad moet dus een beter woonklimaat krijgen, een betere bereikbaarheid en meer werkgelegenheid.' Hij kan zich voorstellen dat de Hoeksche Waard zich opgeofferd voelt aan andermans belang. “Toch zitten er voor hen ook voordelen aan, zoals woningbouw, werkgelegenheid en voorzieningen als groen en recreatie.'

Burgemeester Nanny Peereboom van Strijen (negenduizend inwoners) beperkt zich tot het constateren van `tegenstrijdigheden in het beleid'. “Het rijk roemt de kwaliteit van dit gebied als groene ruimte voor de zuidvleugel van de Randstad, maar de economische ontwikkeling krijgt kennelijk toch meer punten. Er wordt een tapijt uitgerold over het eiland, een concentratie van bedrijven in het noorden en glastuinbouw in het zuiden.'

Het lijkt of de schoonheid van de Hoeksche Waard zich te weer moet stellen tegen het nutsdenken. Peereboom: “Bij een nieuwe verhouding tussen stad en platteland maken we een kans. Ik vind het zelf prettig hier, mede omdat de stad binnen handbereik ligt, en het is ook in ons belang dat de stad goed functioneert. We zeggen dus niet per definitie overal nee tegen. Je moet elke keer opnieuw beslissen waar je ja op zegt. Daarvoor zijn er twee criteria. Het eerste is dat je ruimte overhoudt die zelf iets is die herkenbaar en kenmerkend is. Het tweede is dat de functies die Rotterdam hier wil onderbrengen, alleen hier kunnen en niet net zo goed elders in de omgeving.'

Puur natuur

Janus Verkerk mede-oprichter van de particuliere Vereniging Hoeksche Waards Landschap en lid van de vogelwerkgroep, denkt het zijne van gedeputeerde Jaap Wolfs `groen en recreatie'.

“Juist de Ambachtsheerlijkheid in het zuiden van de polder leent zich voor een bestemming als natuurgebied. Het is ooit ingericht voor de jacht en heeft dus een mooie natuur. Die zou perfect aansluiten bij het eiland Tiengemeten, dat er tegenover ligt in de Haringvliet en ook natuurgebied wordt. Weet u wat opmerkelijk is? De boer en de natuurbeschermer merken dat ze steeds vaker een gemeenschappelijk belang hebben. Ze zijn namelijk geen van beiden voorstander van glastuinbouw en bedrijventerreinen.' Overigens hadden zowel de provincie als de lokale landschapsvereniging nog een andere reden om hun oog te laten vallen op de Ambachtsheerlijkheid: je hoeft maar met een grondeigenaar te onderhandelen.

De plannen voor de Hoeksche Waard staan in regelrecht contrast met de ontwikkelingen op Tiengemeten. Behalve de buitendijkse slikken, schorren en rietkragen is het eiland generaties lang bestemd voor de landbouw. Het handjevol boeren heeft nooit hun land kunnen kopen, ze bleven pachters, omdat Tiengemeten eveneens altijd prive-bezit is geweest. Je hebt er ook geen rijbewijs nodig, en de wat vermoeide auto's die er rijden hebben geen nummerborden. Tot begin deze eeuw behoorde het toe aan een adellijk geslacht, daarna aan Volker-Stevin en tot eind vorig jaar aan de Amev. Nu is het eiland eigendom van Natuurmonumenten, dat het omstreden besluit heeft genomen de boeren uit te kopen en het eiland tot puur natuur te maken.

Terwijl in het ene open agrarisch gebied de deur voor de verstedelijking wordt opengezet wordt de andere juist van zijn bewoners en hun sporen ontdaan om Rotterdammers een fictieve wildernis voor de zondagmiddag te geven. Zo wordt telkens een nieuwe, aangemeten werkelijkheid over de oude heengelegd.

Palmboom, Van den Bout en hun collega's onderbreken de excursie voor een kopje koffie in Goudswaard, het meest oostelijke plaatsje in de Hoeksche Waard. “Zijn jullie van de natuur', wil de baas van het cafe aan het jachthaventje weten. “Hele bussen krijgen we hier tegenwoordig uit Brabant op zondag. Op zoek naar de zeearend of weet ik veel wat voor apparaat.'

De zeearend, voor veel natuurbeschermers de nec plus ultra van de wildernis, is echter op de Zuid-Hollandse eilanden nog niet gesignaleerd. Nee, we zoeken de zeearend niet, we nemen genoegen met wat we vinden. Dat is al veel, blijkt terwijl ik midden op straat naar de streng afgerichte leilinden voor de kerk sta te kijken. Van de ene kant komt er een boer op leeftijd aangefietst. Pet, gele klompen. Tegelijkertijd komt er van de andere kant een diep geronk en moet ik opzij springen voor een lange, lage zilveren Cadillac.