TECHNIEK LEIDT NOG VAAK TOT NIET GEWENSTE KINDERRIJKHEID

Het aantal meerlingengeboorten bij vrouwen die met kunstmatige technieken zwanger zijn geworden is tussen 1994 en 1996 gestegen van 373 naar 823.

Vruchtbaarheidsbehandelingen veroorzaakten 13,7% van alle meerlinggeboorten in 1994 en 25,7% in 1996 (Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, 17 okt).

Deze gegevens werden verkregen met een rekenexercitie waarbij het aantal meerlingen in 1975 als standaard is genomen. Op grond van de verandering van het aantal vruchtbare vrouwen in de groeiende bevolking is een verwacht aantal meerlingen voor de jaren daarna uitgerekend, waarop een correctie is uitgevoerd voor het feit dat vrouwen op hogere leeftijd hun eerste kind kregen, wat het aantal meerlingen vergroot. Het op die manier berekende per jaar verwachte aantal meerlingen werd afgetrokken van het voor dat jaar geregistreerde aantal dat bij het Centraal Bureau voor de Statistiek bekend is. De verschillen tussen 1994 en 1996 zijn groot genoeg om te concluderen dat er een verhoging is door medische ingrepen bij de voortplanting.

Meerlingen stellen de ouders vaak voor grote problemen, schrijven de epidemiologe en de gynaecologen van de Academische Ziekenhuizen van Utrecht en Nijmegen in hun artikel. Die problemen hangen nog al eens samen met medische problemen rond tweelingen. Meerlingen worden vaak te vroeg geboren. Kinderen die na een zwangerschap van minder dan 32 weken of met een geboortegewicht van minder dan 1500 gram worden geboren komen in de eerste weken van hun leven terecht op de neonatale IC, een soort supercouveuse-afdeling. Een op de 100 eenlingen komt op zo'n afdeling terecht, 1 op de 10 tweelingen, 1 op de 3 drielingen en 2 van iedere 3 vierlingen. Vroeggeboren kinderen hebben vaak lichamelijke en geestelijke handicaps en komen later vaker in het speciaal onderwijs terecht.

Enkele jaren geleden was de reageerbuistechniek (IVF) duidelijk de grootste veroorzaker van meerlinggeboorten door vruchtbaarheidstechnieken. Maar sinds daarvoor begin jaren negentig, na een aantal jaren ervaring met IVF, is gewaarschuwd, worden zelden meer dan twee embryo's in een IVF-procedure teruggeplaatst.

Het aantal drie-, vier-, vijf- of zelfs zeslingen is dan ook sinds 1994 duidelijk afgenomen of zij zijn zelfs niet meer voorgekomen. Maar de nu geconstateerde toename van tweelinggeboorten kan niet door het aantal IVF-procedures worden verklaard. De auteurs concluderen dat een toename van de hyperstimulatie met hormonen voor vrouwen met vruchtbaarheidsklachten verantwoordelijk is voor de tweelingtoename sinds 1994. Die hyperstimulatie, gevolgd door een natuurlijke bevruchting of door intrauterine inseminatie, wordt vaak geprobeerd voordat tot IVF wordt besloten. Zij schrijven: ``IVF en ovariele stimulatie hebben weliswaar een doorbraak teweeggebracht bij de behandeling van ongewenste kinderloosheid, maar leiden helaas nog te vaak tot ongewenste kinderrijkheid.'