Schaken met aandelen en opties

Een lezer uit Haarlem wil 60 duizend gulden veilig beleggen in obligaties of een beleggingsfonds dat nagenoeg uitsluitend belegt in obligaties. Het geld heeft hij de komende vijf jaar niet nodig. Is dat wat? Niet altijd.

De waarde (koers) van een obligatie hangt af van de rente, de vraag en het aanbod, de looptijd tot aflossing, het type lening en de kwaliteit van de lener.Een slecht bedrijf betaalt meer rente dan een goed bedrijf. De overheid is voor uitleners de beste debiteur en betaalt daarom de laagste rente.

Een obligatie kan flink fluctueren. De 30-jarige 7,5 procent staatslening geintroduceerd in 1993, die in 2023 afloopt, doet nu ongeveer 134 procent, 1.340 gulden per obligatie van 1.000 gulden begin dit jaar 121 procent, en circa 100 procent in 1993. Stijgt de lange rente, dan kan de koers snel weer dalen.

Wie deze obligatie in 1993 heeft gekocht als bron van inkomen - 75 gulden (7,5 procent van 1.000) per 1.000 obligatie - de rit uitzit tot 2023 en dan 1.000 gulden (of meer) aan aflossing ontvangt, hoeft zich niets aan te trekken van de ups en downs.

Dat geldt niet voor de briefschrijver. Hij wil slechts vijf jaar meedoen. Dat kan slecht aflopen. Dezer dagen zijn de obligaties extra duur (daarom is de rente extra laag), omdat professionele beleggers `vluchten' van aandelen naar obligatie, hoewel ze sinds kort weer terug vluchten. De kans op waardedaling is daarom groot. Daarmee vermindert het totale rendement; de som van koerswinst of -verlies en couponrente. Zo waardevast is een obligatie dus niet.

De Haarlemmer voelt daarom meer voor een internationaal beleggend obligatiefonds dat over de afgelopen 25 jaar een gemiddeld jaarrendement (onbelaste waardestijgingen plus belaste dividenden) van 8,3 procent bruto maakte. Dat cijfer verhult veel, want negatieve perioden (ook van vijf jaar en langer) worden weg gemiddeld tegen positieve jaren.

Een internationaal fonds biedt wel een voordeel dat particulieren niet of met moeite kunnen halen: ze beleggen in buitenlandse obligaties die een hoger rendement bieden dan de Nederlandse.

Wanneer in andere landen de rente gaat dalen, stijgen de obligatiekoersen. Hopelijk wordt dat voordelige effect dan niet verminderd door valutaverschillen. Zo switchen fondsen heen en weer hoewel de nadruk op Nederland en Duitsland ligt om valutarisico's te beperken.

De rentes in de elf eurolanden kruipen naar elkaar toe en zullen op 1 januari vervangen worden door een eurorente. Daar is niet veel meer in te verdienen.

Een ander obligatiefonds schrijft dit. `Het belang in de VS is vanwege het aantrekkelijke renteverschil verminderd ten gunste van het Verenigd Koninkrijk (kapitaalmarktrente circa 5 procent). Het valutaire belang in het pond sterling is daarbij volledig afgedekt. Er is gedeeltelijk winst genomen in de Scandinavische belangen. De opbrengst werd deels belegd in Spaanse en Italiaanse obligaties'.

De actuele internationale renteniveaus staan in NRC Handelsblad op een van de koerspagina's. Daaruit blijkt bijvoorbeeld dat de Japanse lange rente 0,87 procent bedraagt. Sommige grootgeldbezitters speculeren op die renteverschillen door in Japan te lenen en dat in het VK uit te zetten.

Voor een particulier zit er dus niet veel smaak aan deze belegging voor de middellange termijn. Je kan net zo goed alles op een spaarrekening zetten. Dan profiteer je tenminste nog van eventuele toekomstige renteverhogingen.

Zijn er alternatieven? Ja. Kijk eens naar de klassieke combinatie van aandelen en meerjarige callopties en wacht een goed moment af, want de koersen zullen vast nog een keer dalen. In vergelijking met obligaties leveren sommige combinaties van aandelen en opties meer op, bij een gering risico, en je hoeft er niet naar om te kijken.

Bestudeer dit voorbeeld eens. Koop voor 36 duizend gulden 400 aandelen Koninklijke Olie op 90 gulden per stuk. Schrijf daarop vier calls oktober 2002 (de 2003 is nog niet in de notering) met uitoefenprijs 100 gulden. Daarmee ontstaat de plicht Olies wellicht te moeten verkopen op 100 gulden, voor de afloopdatum in oktober 2002.

Wat levert dat ruwweg op? De koerswinst bedraagt 10 gulden (100 min 90) belastingvrij, plus de eveneens onbelaste direct ontvangen optiepremie van 20 gulden, is 30 gulden op een investering van 90 gulden. Dat is 30 procent in hooguit vier jaar. Daar komen in de loop van de jaren de belaste dividenden nog bij. Daar kunnen de obligaties niet aan tippen.

Er is een risico. Wanneer Olie voor oktober 2002 niet boven de 100 gulden komt, worden de stukken niet opgevraagd. Dan bezit je Olies voor 70 gulden; 90 min 20 gulden optiepremie. Dat lijkt nu bijzonder goedkoop en je kan gewoon weer callopties verlenen.

De beschikbare 60 duizend gulden kan in overleg met een adviseur worden verdeeld over drie fondsen om de belangen te spreiden, en minder calls, om meer te profiteren van opwaartse bewegingen. Er zijn veel combinaties denkbaar. Net als met schaken.