Leiden verdient theologische faculteit

De `trio-synode' neemt volgende maand een besluit over de inrichting van de opleidingen tot predikant.De Leidse theologische faculteit dreigt aan het kortste eind te trekken. Een zwaktebod, vindt Herman Philipse.

De zogenoemde `trio-synode' van hervormden, gereformeerden en Lutheranen zal op 13 november een besluit nemen over de inrichting van de opleidingen tot predikant in Nederland. De drie kerken besloten `samen op weg' te gaan en willen nu, mede op aandrang van de minister van Onderwijs, het aantal predikantenopleidingen van zes tot drie reduceren. Het voorstelvan de moderamina (kerkbesturen) voor deze reductie getuigt helaas meer van kerkelijke achterkamerpolitiek dan van een oprechte zorg voor de kwaliteit der opleidingen. Indien het voorstel door de trio-synode mocht worden aangenomen, zou minister Hermans moeten ingrijpen. Tevens bestaan in dat geval redenen te meer om de wijze waarop de scheiding tussen kerk en staat in het Nederlandse onderwijsbestel gestalte heeft gekregen, in heroverweging te nemen.

Een moderne `multiculturele' democratie vereist een strikt onderscheid tussen kerk en staat, zoals dat wordt benaderd door de Franse situatie. De staat garandeert enerzijds algehele godsdienstvrijheid mits uitgeoefend binnen de grenzen der rechtsorde; anderzijds onthoudt ze zich van directe financiering van religieuze activiteiten en opleidingen. Een goede reden voor dit laatste is dat hetgeen de ene religieuze groepering voor godsdienstige waarheid houdt, in de ogen van de andere groep vaak een onwaarheid is, terwijl volgens de atheist geen enkele religieuze overtuiging waarheid bevat. De staat kan toch niet belastinggelden aanwenden voor opleidingen die tot doel hebben onwaarheden te verspreiden?

De religieuze neutraliteit die een moderne rechtsstaat in acht moet nemen wordt het beste gewaarborgd wanneer de staat zich geheel onthoudt van het direct subsidieren van religies.

Bijna had Nederland zo'n keurige scheiding tussen kerk en staat bezeten, althans op het gebied van het universitaire onderwijs. Minister van Binnenlandse Zaken J. Heemskerk kwam in 1868 en nogmaals in 1875 met een wetsontwerp ter regeling van het hoger onderwijs dat onder meer beoogde een einde te maken aan het privilege van de Hervormde Kerk. Hoewel deze kerk sinds de Franse bezetting geen staatskerk meer was, bezat ze als enige krachtens het Organiek Besluit van 1815 door de staat gefinancierde predikantenopleidingen in universitaire theologische faculteiten. Heemskerk stelde nu voor de theologische faculteiten aan universiteiten op te heffen.

De kerken zouden dan binnen het kader van de grondwettelijk geregelde godsdienstvrijheid zelf een opleiding tot predikant, priester, of rabbi kunnen inrichten. Dit liberale voorstel werd helaas door de Tweede Kamer getorpedeerd. De Wet op het Hooger Onderwijs van 1876 bevat een merkwaardig compromis, dat later de `duplex ordo' zou gaan heten. Aan rijksuniversiteiten kwam een faculteit der godgeleerdheid waarin vooral de godsdienstwetenschappen bedreven zouden worden. Daarnaast kon onderwijs in de godgeleerdheid plaatsvinden ter vorming van de godsdienstleraren van aparte religies gegeven door bezetters van kerkelijke leerstoelen. De gedachte dat de staat leerstoelen zou moeten instellen voor de `leerstellige en praktische godgeleerdheid' ter scholing van voorgangers van bijzondere religies werd door de Kamer met vooruitziende blik verworpen: `Zal voor elk kerkgenootschap een hoogleraar worden aangewezen om de leerstellingen daarvan te onderwijzen? Bij het groot aantal kerkgenootschappen en de afdelingen waarin ze zich splitsen, is dat een groot bezwaar' zo verzuchtte oud-minister G.

de Vries, en hij wees op het cruciale verschil tussen wetenschap, die niet mogelijk is zonder kritiek, en religieuze leerstellingen, die meestal de toets der kritiek niet kunnen of willen doorstaan.

Sinds 1876 is de duplex ordo veelvuldig gekritiseerd, vooral van confessionele zijde. Waarom moeten zij die het ambt van religieus leidsman of -vrouwe in een bepaalde godsdienst willen bekleden lastig worden gevallen met zuiver wetenschappelijke vakken zoals historische bronnenkritiek of vergelijkende godsdienstwetenschap? Hoeveel studenten die het ambt begeren verliezen niet tijdens de opleiding hun geloof ten gevolgevan zo'n wetenschappelijke vorming? Het was mede uit wrok tegen de wet van 1876 dat Abraham Kuyper besloot tot de oprichting van de gereformeerde Vrije Universiteit te Amsterdam (1880) om te voorkomen dat `de wetenschap een instrument tegen de eere van Christus worde.' Tegenwoordig verzorgt de theologische faculteit aan de VU evenals de theologische universiteit te Kampen een zogenoemde `simplex ordo' opleiding tot predikant, waar christelijke leerstelligheid wordt onderwezen zonder hinderlijke kritiek der godsdienstwetenschappen. Naast deze twee simplex ordo opleidingen tot predikant zijn er vier duplex ordo opleidingen: in Leiden, Utrecht, aan de Universiteit van Amsterdam en te Groningen. Bovendien worden mede ten gevolge van de schoolstrijd, die in 1917 werd beslecht, al deze opleidingen door de staat gefinancierd. Zo is de situatie die de Tweede Kamer in 1876 wilde vermijden alsnog werkelijkheid geworden: de staat betaalt niet alleen de zes protestantse universitaire opleidingen maar ook nog drie katholieke en een universiteit voor humanistiek.

Religieuze algemene universiteiten zoals de VU of Nijmegen, en specifiek theologische universiteiten zoals Kampen, zijn echter principieel uit den boze.

Het beoefenen van wetenschap heeft inhoudelijk niets met godsdienst te maken en het bestaan van bijzonder onderwijs maakt het Nederlandse universitaire bestel onnodig kostbaar. We hebben toch ook geen gereformeerde of katholieke politiemacht in Nederland, gefinancierd op basis van gelijkwaardigheid met de rijks- en gemeentepolitie? Voor de duplex ordo (de koppeling van kerkelijke opleidingen aan een godsdienstwetenschappelijke studie in een openbare universiteit) zijn echter goede argumenten van cultuurpolitieke aard aan te voeren, ook al is deze situatie uit principieel oogpunt second best.

Terwijl de wetenschap sinds driehonderd jaar los staat van godsdienst, zijn de christelijke religies de laatste eeuwen onder invloed van wetenschappelijke ontwikkelingen drastisch van inhoud veranderd. Veel traditionele leerstelligheden sneuvelden omdat ze moeilijk te rijmen zijn met resultaten der wetenschap, en de geloofsinhoud van het christendom is in een staat van flux geraakt. Het lijkt mij voor een godsdienstig leidsman of -vrouwe onmogelijk de geloofsinhoud van het moderne christendom goed te begrijpen zonder kennis te nemen van deze ontwikkelingen en dus kennis tenemen van wetenschap. Wetenschappelijke vorming zal de toekomstige godsdienstige leiders er bovendien voor behoeden af te glijden naar fundamentalistisch denken en hen afhouden van geestelijk isolement, hetgeen een belang is voor de Nederlandse cultuur in haar geheel.

De duplex ordo vereist dat de godsdienstwetenschappen scherp gescheiden blijven van de kerkelijke godgeleerdheid, zoals dit vooral te Leiden gebeurt, en op hoog niveau worden beoefend. Tussen de verschillende theologische faculteiten in Nederland bestaan aanzienlijke kwaliteitsverschillen.

Volgens een rapport van het Instituut voor onderwijskundige dienstverlening te Nijmegen, dat de minister van Onderwijs begin dit jaar aan de universiteiten heeft aangeboden, verdient de Leidse theologische faculteit het kwaliteitspredikaat 1 (beste in rangorde van 1 tot 13), gevolgd door Utrecht (2) en Brabant (3). De Groningse opleidingen in godgeleerdheid en godsdienstwetenschap komen respectievelijk op de 8e en 12e plaats.

In overeenstemming met deze kwaliteitsrangorde had de Commissie Concentratie Opleidingen van de drie `Samen-op-Weg' kerken aanbevolen de protestantse kerkelijke opleidingen in Leiden en Utrecht (beide duplex ordo) en Kampen (simplex ordo) te concentreren. De gezamenlijke moderamina zijn echter in hun voorstel voor de trio-synode van deze aanbeveling afgeweken. Omdat de Evangelisch-Lutherse Kerk een kerkelijke opleiding in Amsterdam wilde houden en de Vrije Universiteit zo'n opleiding niet wilde ontberen, is men nu van plan de hervormde kerkelijke opleiding te Leiden op te heffen en in Amsterdam bij de VU een samensmelting van de Vrije theologische faculteit en de Kampense theologische universiteit te realiseren. Naast Utrecht zou dan op grond van geografische spreiding de opleiding te Groningen behouden moeten blijven. Dit wil zeggen dat de Nederlandse Hervormde Kerk met haar ruim 2 miljoen leden, die altijd een voorkeur voor Leiden heeft uitgesproken, is gezwicht voor de druk van de Evangelisch Lutherse Kerk (ruim 15.000 leden) en de Gereformeerde Kerken (ruim 700.000 leden), teneinde maar `samen op weg' te kunnen blijven gaan.

Dit zwaktebod is onaanvaardbaar. Aangezien de staat de kerkelijke opleidingen betaalt en theologische faculteiten zonder kerkelijke opleiding te gronde zullen gaan door gebrek aan studenten, mag men verlangen dat de kerkbesturen bij hun beslissing over concentratie van opleidingen vooral zullen letten op de kwaliteit van onderwijs en onderzoek aan de theologische faculteiten.

Nu dit niet is geschied en men de kerkelijke opleiding bij de theologische faculteit te Groningen wil behouden ten koste van die te Leiden, zal minister Hermans moeten ingrijpen. Hij kan wellicht de trio-synode adviseren alsnog de aanbeveling van de Commissie Concentratie Opleidingen te volgen.

Mocht de trio-synode het voorstel van de gezamelijke moderamina aannemen, dan wordt het tijd de overheidsfinanciering van kerkelijke opleidingen op zo kort mogelijke termijn te beeindigen. Wanneer sektarische achterkamertjespolitiek het wint van kwaliteit, zijn de Samen-op-Weg kerken de staatsfinanciering van hun predikantenopleidingen niet waard. Door een beleid in te zetten dat gericht is op een scherpere scheiding tussen kerk en staat, die door de toename van het aantal godsdiensten in Nederland sowieso nodig is, kan het kabinet misschien het ideologische blosje op de wangen krijgen dat het zo node mist.