Kleren van de HARK

In Nederland leven twee mannen die acht keer de Elfstedentocht hebben gereden en daar is George Schweigmann er een van. Hij heeft mij eens verteld dat hij die van '63 had volbracht met een pak ijs op zijn rug.

Toen was ik met een verhaal over extreme kou bezig. Maar nu een ander verhaal.

Op het eind van de oorlog werkte George, niet geheel vrijwillig natuurlijk, in de textielfabriek van verre familie in Duitsland, ergens tussen Rheine en Munster. Na de bevrijding keerde hij met het ritme van een 18-urige werkdag in zijn lijf terug naar Leeuwarden, en daar was het feest. De spoorbruggen lagen vernield in de Potmarge en het Van Harinxmakanaal, maar de mensen hingen de radio uit het raam en dansten op straat. Twintig was hij. Hij liep met zijn ziel onder zijn arm. En toen was het meneer De Grijs, bedrijfsleider bij Burmann, een prominente stadgenoot, die hem bij de HARK betrok - de Hulpactie Rode Kruis.

Hijzelf haalde er nog twee vrienden bij: Hennie Kramer en Felix Heeger. Ze hadden alledrie de Hogere Textielschool in Enschede gedaan. Hoe jong ook, zij waren vakmensen, zij hadden oog voor kwaliteit (`fijn kamgaren') en kwaliteit, dat was nou precies wat je de hele oorlog niet had gezien. Dus toen die goederen begonnen binnen te stromen...

Kijk, aan de Nieuwestad, hartje Leeuwarden, stond het pand van Gerzon, een van de grootste gebouwen in de stad. Nu zit de Hema erin. De Duitsers hadden de Gerzons, jodenmensen, eruitgegooid om er de Winterhulp te vestigen. In '45 werd het pand door het Militair Gezag aan de HARK toegewezen. De hele betimmering was nog intact. Toonbanken, parketvloeren, kasten met stangen voor hangertjes - alles van een vooroorlogse degelijkheid. Zelfs de glazen schuifpuien, waarachter teer goed kon worden opgeborgen, waren er nog.

En dan kwamen er witte vrachtwagens met enorme balen van stevig witte katoen. Die werden op de stoep gedeponeerd. Die werden naar binnen gesleept, losgemaakt en leeggeschud. Kleren! Schoenen! Hulpgoederen die door het Rode Kruis waren ingezameld in landen als Canada, Amerika Brazilie, Nieuw Zeeland en Australie.

Dat was op zichzelf al bijna ongelooflijk - dat deze spullen over de hele wereld waren gereisd om bij hen, in Leeuwarden te worden afgeleverd.

Mooi goed kwam er uit die balen. Geen oude plunjes. Niet dat je dacht: daar moeten we maar stofdoeken van maken. En heel kundig verpakt. Je kon het allemaal zo uithangen of wegleggen - een strijkijzer is er nooit aan te pas gekomen.

Apetrots waren ze. Jongens nog en zij hadden de sleutel van het grootste gebouw van de stad, zij dreven daar de rijkst gesorteerde winkel van Leeuwarden en omstreken. Hennie ging over de damesafdeling Felix over de herenafdeling en George over het baby- en kindergoed en het schoeisel. Natuurlijk probeerden ze elkaar nog te overtreffen in orde en netheid.

Laatst kwam toevallig de HARK ter sprake toen Schweigmann een oude schaatsvriend op bezoek had, Site Riemersma. Site kwam meteen met zijn eigen verhaal op de proppen. Die zat in april '45 bij een groep ex-kampgevangenen die door het Zweedse Rode Kruis werd teruggebracht naar Nederland, eerst in een rijnaak van Emden naar Delfzijl, daarna op een landbouwwagen naar Uithuizermeeden. Achttien was hij en zwaar ondervoed zweren op zijn benen enzovoort. Het blauw van zijn schipperstrui was bespikkeld met het wit van luizen. In een schoolgebouw, dat als ziekenbarak was ingericht, werden ze in een wastobbe met veel lysol gezet en achter dat gebouw werd een diepe kuil gegraven voor hun kleren. In plaats daarvan kregen ze kleren van mensen uit de buurt. Een broek een hemd, een overhemd, en een muts voor je kale kop. Dat was letterlijk alles wat Site Riemersma had toen hij, per veewagen, in Leeuwarden aankwam. En toen werd hij door de HARK ontboden naar de voormalige Gerzon.

Daar werd een jutezak met kleding voor hem op de balie gelegd. Wat kost me dat? Dat kost je niks! Prachtige overhemden met een label van het Australian Red Cross in de kraag. Een piekfijn zomerjasje met zo'n Amerikaans splitje van achteren. En een kanariegele trui. Een kanariegele trui wou hij natuurlijk niet aan. Die heeft z'n moeder toen uitgehaald, waarschijnlijk om er iets voor zijn zuster van te maken. Want het was wel echte wol.

Zo was het in die tijd. Mannen hadden geen kleren om naar hun werk te gaan. Vrouwen hadden geen luiers om hun babytje te verschonen. Een mooie handdoek bijvoorbeeld - al had je er de punten voor, zoiets was gewoon nergens te krijgen. Op de zwarte markt kreeg je goud voor textiel. Schweigmann en zijn maats waren zich terdege bewust van de waarde van de spullen die aan hun zorgen waren toevertrouwd. Van later, eind '46 misschien, herinnert hij zich krantenkoppen: grote malversaties bij de HARK. En er zal heus weleens wat gebeurd zijn: mensen zullen kleren die niet pasten heus wel zijn gaan ruilen of verkopen. Maar de organisatie, althans die in Leeuwarden, was brandschoon. Daar steekt hij zijn hand voor in het vuur. Die meneer De Grijs had alles perfect in orde. Er werd gewerkt met aanvraagformulieren, die door tussenpersonen van alle mogelijke sociale instellingen werden ingeleverd. Alle gezindten werden volstrekt gelijk behandeld.

Toen koningin Wilhelmina februari/maart '46 moet dat zijn geweest, haar eerste bezoek aan Friesland bracht, kwam ze kijken hoe zij het bedrijf hadden opgezet. Schweigmann: “Een geweldige eer voor ons.' Hij herinnert zich de zwerm mensen om haar heen, net een bijenvolkje. Hij herinnert zich haarzelf: een lange breedvallende mantel met een bontkraagje, een klokhoed, kordate stappen.

Nou ja, hij herinnert zich Wilhelmina zoals iedereen zich Wilhelmina herinnert.

Bij die gelegenheid, of in ieder geval in die tijd, is het HARK-personeel gefotografeerd. Een stuk of dertien mensen verzameld op het kantoor. Ze staan in een losse cirkel langs de wanden alsof ze niet meer dan een beleefd decor vormen voor de bureaus die in het midden staan, alsof het eigenlijk om een foto van die bureaus begonnen was.

Dat daar is meneer De Grijs, zwaar astmatisch, altijd met een pompje in de weer om zich lucht te verschaffen. En Hennie Kramer, en Felix Heeger, en George Schweigmann zelf, lange vent in een lichte overall met een koppelriem (ach, een koppelriem, wie kent nog de volmaakte mannelijkheid van de koppelriem?).

Op het voorste bureau zie je een hoge schrijfmachine, een inktpot en een vloeirol. Stille getuigen. Attributen die al een beetje verlegen zijn met zichzelf, die weten dat ze bezig zijn zichzelf te overleven.