`Iedereen kreeg plotseling afschuwelijke zweren'

Bij het bankroet van vliegtuigfabriek Fokker in 1996 zijn de restanten van Fokkers foto-archief ternauwernood gered. Een deel van dit unieke fotomateriaal verschijnt binnenkort in een boek, samen met een aantal interviews met betrokkenen over de historie van de vliegtuigbouwer, over vliegen en vliegtuigen. Als voorpublicatie vandaag een tweede vraaggesprek.

“Naar zuurtjes rook het in de fabriek, een heel scherpe zuurtjes-achtige stank die overal in ging zitten, in je kleren, in je haar. Een behoorlijke afzuiginstallatie was er niet. Ik woonde toen in Amsterdam-Noord, aan de overkant van de Papaverweg, waar de Fokkerfabriek nog was gevestigd, en als ik thuiskwam, hing ik mijn werkkleding in een kast achter ons huis. Maar die stank bleef je achtervolgen, tot in je bed toe.

Ik moest behoorlijk wennen, toen ik in februari 1934 van de Marine Luchtvaart Dienst naar Fokker overstapte. In alles werd heel veel tijd gestoken, en de controle was zo scherp dat je wel gedwongen was goed op te letten. Er liepen nog altijd Duitse werkmeesters rond, uit de Schwerin-tijd, en die konden behoorlijk tekeer gaan. Als je ook de perfecte dingen zag die er werden gemaakt alleen al zo'n hoofdligger voor een vleugel, dat was een staaltje geweldig vakmanschap. Laag voor laag ging dat, net als bij triplex, waarbij de houtlagen met honderden lijmtangen werden vastgezet. Een gigantisch precisiewerk. En dan heb ik het over een drieendertig meter lange spant die in het midden dertig centimeter dik was om geleidelijk dunner te worden. Aan een spant werkten vijftien, twintig zeer vakbekwame houtbewerkers.

Als de lijm droog was, schaafden we het model er met handschaven in. We waren daar weken mee bezig, alles met de hand de spanten tussen de voor- en achterliggers, de dubbelgelijnde latjes. Vervolgens was het de beurt aan de bekleders, die om de spanten banden wikkelden, waaraan ze het linnen vastnaaiden. Nadat het hele toestel was bekleed, de romp, de vleugels, de roeren, lakten wij het linnen met spanlak af, een chemisch spul dat rode dope werd genoemd.

Behalve dat het vreselijk stonk, plakte het ontzettend aan je handen, zodat het leek alsof je rode handschoenen aanhad. Alleen door stevig met aceton te boenen ging het eraf. Omdat dat spul zo giftig was, kregen we elke dag bij wijze van tegengif gratis een liter melk.

Met die dope werd het linnen strak gemaakt, zo strak als een trommelvel, anders kon de schildersafdeling het niet afspuiten. Het toestel was dan best sterk ook al moest je altijd goed oppassen, op een aantal punten bleef het kwetsbaar. Als je van een hoofdligger op de vleugel stapte, ging je er subiet doorheen. Toen ik net bij Fokker werkte, heb ik dat zien gebeuren. Omdat we bij de productie van een nieuw toestel, de F.XXXVI, heel erg in tijdnood waren gekomen, waren mensen van buiten aangetrokken. Terwijl elektriciens zo'n twee, drie dagen voordat het toestel klaar zou zijn bezig waren een kabel door de vleugel te trekken, zakten een paar er dwars doorheen. Je zag ze er zo van onderen uitdonderen.

Fokker stond voor de oorlog bekend als een sociaal bedrijf met gunstige voorzieningen, zeker in vergelijking met andere bedrijven. Dat je kort voor Kerstmis werd ontslagen, als ze weinig werk hadden, was niets bijzonders. Zoiets gebeurde overal, en meestal werd je half januari weer aangenomen. En dat het tussen de witte boordjes en de blauwe kielen niet boterde, was in die dagen ook niets bijzonders. De mensen van de tekenkamer keken op ons neer al moet ik zeggen dat Fokker zelf helemaal niet zo was.

Twee, drie keer per jaar kwam hij naar het bedrijf, vaak in gezelschap van een aantal dames, z'n vriendinnen, en dan was hij altijd vol belangstelling, maakte een praatje met de mensen. En wanneer er iets bij de montage-afdeling was waarvoor hij zich interesseerde, trok hij zijn jas uit en hielp mee.

Maar wee je gebeente als er wat mis ging, dan kon hij flink schelden.

Na de oorlog was de sfeer helemaal veranderd, het leek alsof de mensen meer voor elkaar over hadden. We hadden het gevoel dat we met elkaar Fokker er weer bovenop moesten krijgen. Er was veel meer onderlinge solidariteit. Dat had natuurlijk ook te maken met wat er tijdens de oorlog is gebeurd.

Laat ik vooropstellen dat ik eigenlijk vind dat het Fokkerbedrijf met de Duitsers heeft gecollaboreerd. Misschien gebeurde dat deels ook om de mensen uit Duitse handen te houden. In ieder geval zijn er op veel grotere schaal vliegtuigen gebouwd dan men later wilde doen geloven. Ik heb zelf in een oude behangselfabriek bij de Omval meegewerkt aan de bouw van de Bucker `Bestmann', lichte, primitieve lesvliegtuigjes waarvan er zo'n zevenhonderd zijn afgeleverd. Er is nog veel meer geproduceerd, watervliegtuigen, vleugels, motorblokken, maar dat is een verzwegen hoofdstuk.

Aan de andere kant is er flink sabotage gepleegd en is er heel wat afgestaakt. Dat ging dan over de vraag of we 's nachts moesten doorwerken, zoals de Duitsers wilden. We voelden daar niets voor, omdat de geallieerden vooral 's nachts kwamen bombarderen. Ook tijdens de Februari-staking ging het bedrijf plat.

Zelf had ik contact met de Paroolgroep, zodat ik moest onderduiken. Op een dag riep de Duitse directeur me bij zich - Herr Gallmeyer heette hij - en tipte me dat ze mij op de hielen zaten. Ik kreeg zelfs extra bonnen voor mijn familie. Die Gallmeyer was een heel menselijke man. Wanneer hij je van iets verdacht, van sabotage of zo, kreeg je de rottigste klusjes maar dat duurde nooit lang. Al na korte tijd zei hij dan: streep eronder.

Ik vind het erg triest hoe het met het bedrijf is gegaan, emotioneel heb ik het nog niet verwerkt. Maar hoe gek we op Fokker mogen zijn, we mogen niet vergeten dat er ook heel vreemde dingen zijn gebeurd. Zoals met de kunsthars die in de jaren vijftig speciaal voor de F27 werd ontwikkeld. We waren hardstikke trots op dat toestel, ik heb de geboorte ervan van het eerste tot het laatste spantje meegemaakt, maar met die kunsthars was iets totaal mis. Dat spul was zo giftig dat mensen er ziek van werden, ze kregen plotseling overal zweren, vreselijk. Er zijn ook mensen dood aan gegaan. Het bedrijf heeft er toen artsen van de GGD bijgehaald die op de rug van proefpersonen kunsthars hebben gesmeerd om de reacties te testen. Iedereen kreeg afschuwelijke zweren. Later zijn we er achtergekomen, heel toevallig, dat van de tonnetjes met kunsthars waarmee wij moesten werken, de buitentonnetjes waren afgehaald. En daar stonden doodskoppen op. Het is bepaald niet kosjer wat er is gebeurd, dat geknoei heeft echt mensenlevens gekost.'