Hoe flexibel is een pensioen met een `C-polis'?

Werknemers die een nieuwe baan willen, zullen die zelden of nooit laten afhangen van de vraag of en zo ja, welke pensioenregeling de nieuwe baas aanbiedt.

De mededeling van de personeelsfunctionaris `wij hebben een uitstekende pensioenregeling' volstaat meestal. Zeker de kreet: `wij bieden u een flexibele C-polis' komt helemaal interessant over. Maar wat is een C-polis eigenlijk?

Werkgevers zijn in principe niet verplicht om aan hun medewerkers een pensioenregeling aan te bieden, behalve als zij in een bedrijfstak werken waarvoor een (verplichte) `Bedrijfs(tak)pensioenregeling' geldt. Als de werkgever wel pensioen toezegt dan moet hij (volgens de bepalingen van de Pensioen- en spaarfondsenwet; PSW) de gelden veiligstellen bij een pensioenfonds of een verzekeringsmaatschappij. Pensioenfondsen komen meestal voor in een bedrijfstak of bij de wat grotere ondernemingen en dan wordt het een ondernemingspensioenfonds genoemd. Als de pensioenrechten van de werknemer ondergebracht moeten worden bij een verzekeringsmaatschappij, dan geeft de PSW twee mogelijkheden. Ofwel de werkgever sluit een verzekeringsovereenkomst met de verzekeraar. Dat wordt een `B-polis' genoemd, want dat is geregeld in artikel 2 lid 4 B van de PSW. In dat artikel onder 4 C is bepaald dat `de werkgever de werknemer in staat kan stellen om bij een verzekeraar een pensioenverzekering af te sluiten'; en dat is de C-polis.

Dat `in staat stellen tot' blijkt in de praktijk uit het feit dat de werkgever de premie (grotendeels) zal betalen. Hierdoor ontstaat vaak het onjuiste beeld dat bij een C-polis de pensioenrechten voortvloeien uit een `beschikbare premie'.

In Nederland kennen we ongeveer 22.000 verschillende pensioenregelingen. Maar in grote lijnen zijn er twee systemen om te komen tot de uiteindelijke pensioenuitkeringen. Bij het `salaris-diensttijdsysteem' worden de pensioenbedragen die de werknemer (of bij zijn overlijden zijn nabestaanden) kan gaan ontvangen vaak berekend door uit te gaan van een (pensioengevend) salaris. Daarvan wordt een bedrag afgetrokken, omdat de overheid via AOW en ANW al voor een voorziening zorgt.

Meestal wordt zo'n aftrek dan ook `AOW-franchise' genoemd. Van het aldus gevonden saldo (meestal `pensioengrondslag' genoemd) wordt een bepaald percentage genomen (vaak 1,75 procent) en dat vermenigvuldigd met de diensttijd die de werknemer bij de baas zal doorbrengen. Zo wordt het bedrag aan ouderdomspensioen gevonden dat de werknemer zal krijgen als hij op de pensioendatum aankomt.

Het nabestaandenpensioen (voor weduwen weduwnaars, partners en wezen) wordt vaak als een percentage van dat ouderdomspensioen gerekend. Bij een `beschikbare (pensioen-)premiesysteem' staan de uiteindelijk te ontvangen pensioenuitkeringen doorgaans niet vast. Meestal wordt eerst een kapitaal verzekerd (uit te keren bij in leven zijn of bij overlijden van de werknemer), dat - als dat ter beschikking komt - gebruikt moet worden om het om te zetten in periodieke pensioenuitkeringen.

Nadat bepaald is hoe de werkgever het pensioen wil regelen, komt pas de vraag of hij zelf een pensioenverzekering zal gaan afsluiten (B-), danwel dat hij de werknemer dat zal laten doen (C-). Zo kunnen uit een B- of een C-polis zowel pensioenrechten voortkomen volgens `salaris/diensttijd' als via de `beschikbare premie'.

In vroeger tijden werd een C-polis vaak gekozen omdat die afkoopbaar zou zijn. Ofwel: de werknemer zou er geen pensioenuitkeringen uit hoeven te ontvangen, maar - na afrekenen met de Belastingdienst - over een kapitaal kunnen beschikken. Die mogelijkheid is jaren geleden door de Hoge Raad en later door de wetgever afgeschoten.

Daarna werd de C-polis `flexibel' genoemd, omdat die gemakkelijk meeneembaar was naar een andere werkgever. Dat is ook maar relatief, want zo'n nieuwe werkgever kan wel eens een eigen pensioenfonds of verzekerde regeling hebben en dan niet bereid zijn om voor de betreffende werknemer apart premie te gaan betalen voor diens eigen pensioenverzekering.

Nadat het in 1994 mogelijk werd om reservewaarde over te dragen naar de pensioenregeling van de nieuwe werkgever, heeft ook dat `meeneem-argument' aan kracht ingeboet. Want zo'n overdracht kan zowel uit een B- als een C-polis.

Het enige argument wat nog overblijft is dat een werknemer het contract met een verzekeringsmaatschappij sluit en dus de baas wordt over zijn eigen verzekering. In de praktijk blijkt dit soms ook een farce.

Een voorbeeld. Mevrouw X gaat naar een nieuwe werkgever. Bij haar oude werkgever had zij pensioenrechten in een `C-polis'. Op grond van de pensioentoezegging - volgens het `salaris/diensttijdsysteem' - wordt berekend hoeveel waarde de verzekering heeft en of dit voldoende is. Want bij zo'n pensioentoezegging heeft de werknemer recht op een `tijdsevenredig ouderdomspensioen'. Hoewel het in de wet wat moeilijker omschreven is, komt het er op neer dat de waarde in de verzekering dan voldoende moet zijn om daaruit straks een pensioenuitkering te ontvangen die zij tijdens haar periode bij die werkgever heeft opgebouwd. Die waarde blijkt in het geval van mevrouw X onvoldoende. De verzekeraar meldt haar dat hij de werkgever al heeft aangeschreven om - zoals de PSW verplicht stelt - voor bijbetaling te zorgen. Om haar moverende redenen wil mevrouw X weten hoeveel de ex-werkgever zal moeten bijbetalen en vraagt dat aan de verzekeraar. Zij is immers de contractpartner met de verzekeraar als `verzekeringnemer'. De verzekeringsmaatschappij weigert haar die informatie te geven. Die stelt dat destijds het contract via de werkgever tot stand is gekomen en dat die ook steeds de premie heeft voldaan. Dus ziet de maatschappij de ex-werkgever als haar klant.

In de praktijk gebeurt het inderdaad heel vaak dat de werkgever in eerste instantie het initiatief neemt om de pensioenverzekering tot stand te laten komen. Vaak ook wordt via hem de premie betaald. Dat is het meest praktisch, want anders moet de werkgever eerst het geld voor de premie aan de werknemer geven, die dat dan weer moet betalen aan de verzekeraar; en dat geeft weer allerlei fiscale verrekeningsproblematiek, omdat de pensioenpremie aftrekbaar is. Maar formeel heeft de werknemer de pensioenverzekering gesloten.

De gedachte achter het instellen van de `C-polismogelijkheid' door de wetgever was dat in gevallen waarin de werknemer `volwassen' genoeg wordt geacht om zijn/haar pensioenverzekering zelf te sluiten, die mogelijkheid er ook moet zijn.

Uit alle wettelijke regels kan ook afgelezen worden dat de werknemer `de baas' blijft over zijn/haar eigen polis. Daarom is het standpunt van de verzekeraar uiterst verwonderlijk. De zaak loopt nog en de vraag is hoe een rechter op deze houding zou reageren. In ieder geval blijkt hieruit dat - als de werkgever van de rechter gelijk zou krijgen - de term `u krijgt een flexibele C-polis' nauwelijks nog van waarde is.

Belangrijker is te weten hoe de uiteindelijke rechten zullen gaan worden.