Het stokpaard

Zondagochtend vroeg, windstil, nevel wolkt uit de gracht, dood blad kleeft op geparkeerd blik, een kraai rukt een worm uit het gras, een vroege biefstuk.

Ieder seizoen heeft zijn eigen vroege zondagochtendstilte. Daar naderen uit een zijstraat geluiden, een kinderstem die Vort! Hop! en Huu! huu! roept. Om de hoek komt een jongen van een jaar of vijf. Hij berijdt een stokpaard. Voor de lezers die niet weten hoe dat moet: hij houdt een lange stok tussen zijn benen. Aan de bovenkant van de stok zit de paardenkop. Het andere uiteinde sleept over de stenen. Met zijn benen doet hij wat eigenlijk het paard zou moeten doen: draven, galopperen steigeren. Dit stokpaard heeft een lichtbruine kop - hoofd moet je eigenlijk zeggen - met een witte vlek boven zijn ogen. Een bles. Het is een heel oud paard, met slijtplekken op zijn kaken. Ik kan dat goed zien want op het ogenblik dat we elkaar zouden passeren, maakt de ruiter halt stampt met een voet op de grond, laat zijn zool even over de stenen slepen, en zegt: `Waar ga jij naar toe?'

`Ik moet met de tram. Mooi paard.'

`Ja. Mijn paard!' Hij geeft een klap op de stok achter zich, roept Vort! en draaft verder.

In geen halve eeuw of langer had ik een stokpaard gezien; zelf trouwens nooit een gehad. En nu: op zondag, nog niet eens kwart over acht. Dat is een eigenaardige ervaring. Om te beginnen wekt zo'n volledige paardenkop aan een kale stok nu heel andere associaties. De eerste seconden denk je eerder aan schokkende beelden op de televisie, aangevreten kadavers in de Sahel dan aan een stuk kinderspeelgoed. Daarna heb ik dit paard even recht in de ogen gekeken, en: zelden zo'n goeiige, trouwhartige blik gezien. Dat was wel heel ver verwijderd van de Godzilla's en de tyranosaurussen rex die de kinderen binnenkort in hun schoen zullen krijgen.

De fabrikanten van stokpaarden lieten zich nog leiden door andere normen en waarden (hoewel je toen ook al kanonnetjes had die echt konden schieten, met een klappertje en een rubber projectieltje). Maar in de dierenwereld ging het in ieder geval vreedzaam toe, en laten we niet overdrijven: nog steeds. In de ogen van de teddyberen is de onschuld bewaard.

Zo komen we op de vraag: wat willen de kinderen van nu in hun schoen, en als u een kind van nu was, wat ging u dan aan Sinterklaas vragen? Lego wordt steeds geraffineerder, met computergestuurde terreinwagens. Het lijkt me verleidelijk, maar daarin is hetzelfde risico verborgen als in de elektrische treintjes. Je bouwt de baan op, je denkt goed na over de plaats waar je de wissels en het kruispunt zult plaatsen je legt de leidingen voor de wissels aan, de draadjes mooi strak zoals het in de catalogus van Marklin is voorgedaan, en daar ligt dan je hele Transsiberische spoorlijn, van Moskou tot Vladivostok, met emplacementen in Omsk en Tomsk.

De spoorlijn wordt feestelijk geopend, je laat de trein een paar keer heen en weer rijden, en dan is het afgelopen. Het heen en weer rijden blijkt stomvervelend te zijn. Het bouwen, daar ging het om.

Ieder jaar als het tegen de feestdagen loopt, bekijk ik de speelgoedetalages. De radiografisch bestuurde terreinwagentjes worden steeds mooier, naar het voorbeeld van de monsters met vierwiel-aandrijving waarmee sommige grote mensen 's zomers over de boulevards van de grote badplaatsen rijden. Zo'n wagentje misschien? Een Godzilla op bovenmaatse wielen? Ik heb eens een trailer van een film gezien waarin een slim kereltje zo'n karretje gebruikte. Hij had er een videocamera op gemonteerd en stuurde dit geheel naar plaatsen waar hij niet mocht komen. Via een draadloze verbinding naar zijn beeldscherm bleef hij op de hoogte van alles wat zich in huis afspeelde. De Pietje Bell van het elektronisch tijdperk.

En nog een film met zo'n karretje, nu gebruikt door gangsters, die daarmee de auto van een vijandige bende achtervolgen. Het is in San Francisco, het gaat heuvel op, heuvel af, en dan, onvermijdelijk volgt te explosie. Inspiratie genoeg voor de jeugd.

Maar alles draait tenslotte om hetzelfde. Speelgoed is niet louter om het te hebben. De vraag is wat je ermee gaat doen. In een van de Boeken van William begint een hoofdstuk met de onvergetelijke zin: Neem de naaimachine van je moeder. Daarmee is een wereld geopend. Toen de stokpaardruiter allang uit het zicht was verdwenen, schoten me de vragen pas te binnen. Wie ben je? Waarheen op weg? Wat ga je daar doen? Misschien had ik de kleinzoon van Zorro ontmoet.