Het geheim van de verlossing; Hoe staten verschillend afrekenen met een dictatoriaal verleden

Vanaf het moment dat een gewelddadig regime het veld moet ruimen, zit een land met het verleden opgescheept. Moeten de vroegere machthebbers gestraft? Of telt alleen de toekomst?

De Zuid-Afrikaanse Waarheidscommissie komt komende donderdag met haar verslag: dat is een manier om daders en slachtoffers met het verleden te verzoenen. De aanhouding deze week van de Chileense ex-dictator Pinochet - weliswaar op verzoek van Spanje, maar in Chili tot heftige reacties leidend - is een andere. Timothy Garton Ash over de beste manier om af te rekenen met een duister verleden.

De vraag hoe een natie moet omgaan met een problematisch verleden is een van de grote thema's van onze tijd. Overal ter wereld zijn landen ermee geconfronteerd: Chili, Argentinie, Uruguay, El Salvador, Spanje na Franco, Griekenland na de kolonels, Ethiopie, Cambodja, en alle postcommunistische staten van Midden- en Oost-Europa. Er bestaat al een omvangrijke literatuur - merendeels niet geschreven door historici, maar door politicologen, juristen en activisten voor de rechten van de mens - waarin het verleden hoofdzakelijk wordt beschouwd als een element in de `overgang' van een dictatuur naar - zo hoopt men althans - een hecht verankerde democratie.

Volgens de jurist en activist voor de rechten van de mens Aryeh Neier ligt de oorsprong van wat hij de `aansprakelijkheidsbeweging' noemt, in de eisen van de moeders van de `verdwenen' Argentijnen uit het begin van de jaren tachtig. Het lijdt in elk geval geen twijfel dat Latijns Amerika, met zijn verscheidene soorten `waarheidscommissies', op dit gebied een belangrijke aanzet heeft gegeven. Een in Transitional Justice herdrukt artikel telt maar liefst vijftien tussen 1974 en 1994 ingestelde `waarheidscommissies'; op dit moment zullen het er wel zo'n twintig zijn.

In dit artikel zal ik het heel speciale geval Duitsland vergelijken met zijn buurlanden in oostelijk Midden-Europa. Daarbij stel ik vier fundamentele vragen aan de orde: moet men zich het verleden eigenlijk wel herinneren en er op een of andere wijze iets mee doen, of kan men het maar beter vergeten en de blik op de toekomst richten? Als men zich in het verleden verdiept wanneer moet dat dan gebeuren? Wie zou het moeten doen? En ten slotte: hoe?

De eerste vraag - of het moet gebeuren - is in Duitsland sedert 1989 ondubbelzinnig beantwoord: “Natuurlijk moeten wij de geschiedenis van de communistische dictatuur in Duitsland op alle mogelijke manieren onder ogen zien!' En Duitsland heeft daarbij nieuwe maatstaven van grondigheid gecreeerd.

De plicht tot herinneren wordt in Duitsland dikwijls uitgedrukt in bewoordingen die zijn ontleend aan de joodse traditie: `In het herinneren ligt het geheim van de verlossing.' Daarnaast is er het politieke denkbeeld dat dit zal helpen een herhaling van het kwaad te voorkomen. Hoe dikwijls is in Duitsland niet de uitspraak van George Santayana aangehaald dat wie het verleden vergeten, gedoemd zijn het te herhalen.

Bij vele andere gelegenheden, op vele andere plaatsen, is dit fundamentele uitgangspunt echter verworpen. Historisch gezien vormen de pleitbezorgers van het vergeten een grote groep, die veel gewicht in de schaal legt. Slechts twee dagen na de moord op Caesar verklaarde Cicero in de Romeinse Senaat dat iedere herinnering aan die bloedige twist voor eeuwig moest worden uitgebannen. In Europese vredesverdragen, van het in 843 gesloten verdrag tussen Lotharius Lodewijk de Duitser en Karel de Kale tot aan het Verdrag van Lausanne uit 1923, is uitdrukkelijk opgeroepen tot vergeten. De Franse grondwetten van 1814 en 1830 deden hetzelfde.

Ook na 1945 vallen er in Europa vele gevallen aan te wijzen waarin het vergeten tot beleid is verheven. De naoorlogse Franse republiek is, na een kortstondige zuiveringswoede gebouwd op een beleid waarbij de pijnlijke herinnering aan de collaboratie in Vichy en het bezette Frankrijk min of meer bewust werd vervangen door De Gaulles eendrachtscheppende nationale mythe van een, immer verzet plegend, strijdend Frankrijk. Grote delen van het democratische West-Europa van na de oorlog rusten trouwens op een fundament van vergeten: denk maar aan Italie of aan het Oostenrijk van Kurt Waldheim dat met steun van de geallieerden een geslaagde restyling heeft ondergaan tot onschuldig slachtoffer van de nazi-agressie.

Iets dergelijks viel in Polen waar te nemen na het einde van het communisme. Tadeusz Mazowiecki, Polens eerste niet-communistische premier na meer dan veertig jaar, zei in zijn inaugurele toespraak tot het parlement: “Wij trekken een gruba linia, een dikke streep, tussen ons en het verleden.' Sedertdien heeft hij herhaaldelijk verzekerd dat hij daarmee niets anders bedoelde dan wat hij meteen daarna zei, namelijk dat zijn regering slechts verantwoordelijk kon worden gesteld voor wat zij zelf zou doen. Toch is de uitdrukking `dikke streep' spreekwoordelijk geworden als een beknopte karakteristiek van de houding van Mazowiecki en zijn collega's in het algemeen.

Die houding was in hoofdzaak, zoals ik mij heel goed herinner van gesprekken uit die tijd: zand erover, geen processen, geen beschuldigingen over en weer, kijk naar de toekomst, naar de democratie en naar `Europa', net als Spanje had gedaan. Ten dele gebeurde dit omdat de revolutie van 1989 in Polen het resultaat was van onderhandelingen zodat vertegenwoordigers van het oude regime nog hoge posities bekleedden - tot zelfs in de regering. Anderzijds konden zij zich in 1990 domweg niet voorstellen dat de postcommunistische partij bij vrije verkiezingen weer een plaats in de regering zou kunnen krijgen. Er leek dan ook geen dringende politieke noodzaak te zijn om de mensen te herinneren aan de verschrikkingen van het communistische verleden, terwijl er zeer vele dringender zaken te doen vielen.

Zo kom ik aan mijn tweede kernvraag: wanneer? Want er is een tussenpositie mogelijk, waarin men zegt: jawel, maar nu nog niet. Een van de argumenten die hiervoor worden aangevoerd is het neo-Rankeaanse bezwaar tegen iedere poging tot geschiedschrijving van het zeer recente verleden: wij hebben nog te weinig afstand tot de gebeurtenissen om hun betekenis te kunnen doorgronden, wij zijn er emotioneel nog in verwikkeld en de bronnen zijn nog niet allemaal beschikbaar.

Daarnaast zijn er politieke argumenten. Wat bedoeld is om de jonge democratie te versterken, zou haar wel eens kunnen ondermijnen. Een al te nauwgezet onderzoek van het problematische verleden zal oude wonden weer openrijten en de samenleving verscheuren. Voor de opbouw van de democratie is de medewerking nodig van de functionarissen de collaborateurs en de simpele meelopers van de dictatuur. De filosoof Hermann Lubbe heeft geopperd dat het misschien juist de verdringing van de herinnering aan het nazi-verleden - met amnestie en amnesie - in Adenauers West-Duitsland van de jaren vijftig is geweest, die de maatschappelijke consolidatie van de democratie in dat land mogelijk heeft gemaakt - ze heeft nazi's geholpen democraten te worden.

Daartegen vallen mijns inziens de volgende, zwaarwegende argumenten aan te voeren. Ten eerste is, louter historiografisch gezien, het verlies zeker zo groot als iedere mogelijke winst aan bewijsmateriaal of distantie. De getuigen sterven; anderen vergeten, of herschikken althans hun herinneringen; en juist de ergste verschrikkingen zijn in de archieven vaak het slechtst gedocumenteerd. Ten tweede hebben de slachtoffers en hun verwanten het morele recht om te weten wie hen of hun dierbaren hebben gemaltraiteerd. In de derde plaats hebben uitstel en verdringing zelf ook een psychologische en politieke prijs. Het feit dat de folteraars of de opdrachtgevers ongestraft blijven, ja zelfs hoge posities behouden, compromitteert het nieuwe regime in de ogen van wie zijn krachtigste aanhangers zouden moeten zijn.

In haar jongste boek, Politik und Schuld, onderzoekt de Berlijnse politicologe Gesine Schwan zorgvuldig welke politieke en psychologische prijs de Bondsrepubliek in de jaren vijftig heeft betaald voor wat zij het Beschweigen noemt - het `opzettelijk stilzwijgen' in het West-Duitse openbare leven, op school en vooral in het gezin over de misdaden en verschrikkingen van het nazisme.

Velen van de zeer invloedrijke West-Duitse `jaargang 1968' dachten bovendien dat de verdringing van het nazi-verleden en het anticommunisme van de oudere generatie onverbrekelijk met elkaar verbonden waren. In reactie daarop produceerden zij welgezinde, ja zelfs rooskleurige berichten over het communistische Oost-Duitsland, waarin bijvoorbeeld geen melding werd gemaakt van de Stasi, de geheime politie. Dat was een belangwekkende verwrongen connectie: hun revolte tegen het onvermogen van hun ouders om het verleden van de vorige Duitse dictatuur onder ogen te zien, droeg ertoe bij dat zij zelf het onheil van de bestaande dictatuur onvoldoende onderkenden.

Het geval Duitsland leidt tevens naar de derde vraag: wie? Voorafgaand aan het langdurig stilzwijgen van de jaren vijftig hadden de bezettingsmachten natuurlijk een poging tot denazificatie gedaan en hadden de geallieerde overwinnaars de processen in Neurenberg georganiseerd. Zowel Neurenberg als de denazificatie heeft sedertdien in iedere gedachtenwisseling op dit gebied als referentiepunt gediend.

Het heeft natuurlijk grote voordelen als zoiets door buitenstaanders wordt gedaan, na een onherroepelijke nederlaag. Dan gebeurt er tenminste iets. Maar daarbij komen meteen ook de nadelen aan het licht. Er valt zelfs iets te zeggen voor de opvatting dat de verdringing in de tijd van Adenauer ten dele een reactie was op wat werd beschouwd als `overwinnaarsrechtspraak' - en overwinnaarsgeschiedschrijving.

In het grootste deel van het postcommunistische Oost-Europa is de situatie tegengesteld aan die welke zich na 1945 in Duitsland voordeed. De meeste postcommunistische landen zien zich volstrekt niet als sinds kort bezet gebied, maar juist als sinds kort uit een bezetting bevrijd.

Zij zouden kunnen zeggen - en dat doen ze ook - dat zij niet de opvolgers niet de erfgenamen van dat verleden zijn. In een land als Litouwen, dat een loodzware bezetting achter de rug heeft en dat worstelt om een nieuwe identiteit als natie en staat op te bouwen, is de verleiding om te zeggen “Dat waren zij, niet wij' welhaast onweerstaanbaar.

De Oost- en de West-Duitsers moeten er samen uit zien te komen. De ontstemde Oost-Duitsers spreken, hun historische metaforen verwarrend, van een Anschluss, gevolgd door `overwinnaarsrechtspraak'. Maar dit was een vrijwillige Anschluss, waar de meerderheid van de Oost-Duitsers in vrije verkiezingen voor heeft gestemd. Ook zijn de meest drastische stappen in de confrontatie met het verleden - het openen van de Stasi-dossiers, de identificatie van de ambtenaren die verantwoordelijk waren voor de vervolgingen - juist gedaan op aandringen van de Oost-Duitsers zelf.

Toch valt hun misnoegen wel te begrijpen. De West-Duitsers oordelen over de Oost-Duitsers, hetzij vanuit de rechtersstoel, hetzij door besluiten die over hun hoofd heen worden genomen.

Ook binnen een land blijft de vraag: wie heeft het recht tot oordelen? Het parlement? De rechters? Bijzondere commissies of tribunalen? Pers en televisie? Historici misschien? Op dit punt loopt de vraag `wie?' over in de vraag `hoe?'. Hier lijken drie oplossingen mogelijk: rechtszaken, zuiveringen of geschiedenislessen.

De keuze van de procedure hangt af van de aard van de voorafgaande dictatuur, van de wijze van overgang en van de precieze toestand van de erop volgende democratie - als het dat tenminste geworden is. In Midden-Europa zijn de politieke restricties veel minder nijpend dan in Latijns Amerika.

In Argentinie heeft het machtige leger een einde weten te maken aan de processen die tegen dat leger werden gevoerd, en zelfs gratie verkregen voor reeds veroordeelden. Maar daar was de voorafgaande onderdrukking ook heel anders.

De Amerikaanse schrijfster Tina Rosenberg heeft er een eenvoudige maar rake omschrijving voor gevonden: in Latijns Amerika was de onderdrukking diep in Midden-Europa was ze breed. In Latijns Amerika was een bepaalde groep mensen duidelijk het slachtoffer. Zij werden gefolterd of vermoord - of zij `verdwenen', zoals het onbeholpen maar toch ook aangrijpend wordt uitgedrukt - door een groep mensen: legerofficieren en politiemensen leden van doodseskaders die duidelijk verantwoordelijk waren voor de moorden en folteringen.

In Midden-Europa werden de regimes - althans na de hoogtijdagen van het stalinisme en afgezien van enkele belangrijke uitzonderingen - doorgaans in het zadel gehouden door een veel groter aantal mensen, dat veel minder gewelddadige of minder openlijke druk uitoefende op een veel groter aantal mensen. Velen stonden aan beide zijden, zoals Vaclav Havel telkens weer heeft onderstreept. Onder deze laat- of posttotalitaire regimes, zegt hij, liep de scheidslijn niet tussen `hen' en `ons', maar dwars door ieder mens.

Als dat zo is is veel minder duidelijk of er wel iemand - en zo ja, wie - moet worden aangeklaagd. Havel suggereert: iedereen, en dus niemand.

De geschiedenis van de rechtszaken in het postcommunistische Oost-Europa is uiterst gevarieerd. In Duitsland is men, weinig verrassend, het meest systematisch te werk gegaan. Grenswachten zijn berecht en veroordeeld wegens het schieten op mensen die uit Oost-Duitsland probeerden te vluchten.

Niet lang geleden is Egon Krenz, de laatste communistische leider van het land, tot zeseneenhalf jaar hechtenis veroordeeld voor zijn aandeel in het beleid om vluchtelingen aan de grens dood te schieten. Verscheidene andere hooggeplaatste figuren werden met hem schuldig bevonden. Toch zijn ook in Duitsland de resultaten op z'n zachtst gezegd niet onverdeeld gunstig.

Waren deze processen toonbeelden van gerechtigheid en hebben zij de rechtsstaat versterkt? Dat valt moeilijk vol te houden. Gelijkheid voor de wet is een grondbeginsel, maar zelfs in Duitsland, en elders nog sterker, heeft een radicale, willekeurige en door politieke motieven geleide selectie van de beklaagden plaatsgehad. Daarnaast is er het bekende probleem van berechting wegens daden die in de landen waar ze indertijd werden begaan niet strafbaar waren.

Om zo'n `Neurenbergse' aanpak te vermijden, hebben de Duitse officiers van justitie getracht misdrijven te identificeren die als zodanig strafbaar waren volgens de Oost-Duitse wetten van de tijd waarin ze werden gepleegd. Dat was echter alleen mogelijk door die Oost-Duitse wetten uiterst selectief toe te passen, waarmee dus weer een ander juridisch grondbeginsel werd geschonden. Anders zouden de aanklagers namelijk zelf kunnen worden aangeklaagd wegens belastering van de Oost-Duitse staat wat volgens de Oost-Duitse wet strafbaar was!

Erich Mielke de voormalige minister van Staatsveiligheid, werd niet veroordeeld wegens zijn zware verantwoordelijkheid voor het regime, maar om zijn aandeel in de moord op een politieman, die hij als jonge communistische straatvechter in 1931 had begaan. Het proces tegen Erich Honecker, partijleider van 1971 tot 1989, werd uiteindelijk op grond van zijn slechte gezondheid beeindigd, waarna hij naar Chili vloog om daar zijn laatste maanden in vrede te slijten.

Tot een algeheel gevoel van catharsis heeft dit alles natuurlijk weinig bijgedragen. Ook als historische verheldering hebben de duizenden bladzijden juridische bewijsvoering in de rechtszaal weinig te betekenen, al helemaal niet voor het grote publiek.

Een interessante tegenstelling hiermee biedt Hongarije. Daar had het parlement aanvankelijk een wet aangenomen die de wettelijke beperkingen op berechting wegens hoogverraad, moord en doodslag, gepleegd in het communistische tijdperk, ophief, maar die werd door het Constitutionele Hof vernietigd als zijnde wetgeving met terugwerkende kracht. Vervolgens werd een nieuwe wet aangenomen, uitdrukkelijk gericht op `misdrijven begaan tijdens de revolutie van 1956'. Hierbij gooide men het over een andere boeg, en paste de Geneefse en New-Yorkse conventies over `oorlogsmisdaden' en `misdrijven tegen de menselijkheid' toe op de gebeurtenissen van 1956. De Hongaarse openbare aanklagers beweerden dus anders dan hun Duitse collega's, en als enige in Midden-Europa, dat bepaalde daden uit de communistische periode vielen onder de begrippen `misdrijven tegen de menselijkheid' en `oorlogsmisdaden' uit de Neurenbergse strafzaken, en dat die bepalingen in die tijd althans in principe van kracht waren geweest in het internationaal recht. Tot dusverre zijn langs deze weg slechts drie mensen veroordeeld.

De tweede mogelijkheid is die van zuiveringen of, neutraler geformuleerd administratieve diskwalificatie. Dit is het enige terrein waarop Duitsland niet het voortouw heeft genomen. Deels als reactie tegen president Vaclav Havels beleid om bij voorbaat gratie te verlenen, heeft het parlement van Tsjechoslowakije in het najaar van 1991 een draconische wet aangenomen.

Daarin werd bepaald dat hele categorieen mensen - onder wie hoge partijfunctionarissen, leden van de volksmilitie en zogenoemde `bewuste medewerkers' van de staatsveiligheidsdienst - geheel moesten worden uitgesloten van banen in brede sectoren van de overheid. Dit procede werd in het Tsjechisch lustrace genoemd, een woord van Latijnse oorsprong dat zowel duidt op `verlichting' als op `rituele zuivering'.

De Tsjechoslowaakse `lustratie' is in haar oorspronkelijke vorm slechts ruim een jaar volledig van kracht geweest want toen brak Tsjechoslowakije in tweeen. In Tsjechie werd ze in licht gewijzigde vorm gehandhaafd, terwijl Slowakije haar in feite liet vallen. Zonder twijfel heeft deze procedure een aantal sterk gecompromitteerde figuren in Tsjechie buiten het openbare leven gehouden (terwijl vergelijkbare personen in Slowakije op hun post bleven). De oorspronkelijke wet was evenwel zo grof en procedureel zo onrechtvaardig dat president Havel openlijk heeft verklaard haar met diepe weerzin te hebben ondertekend, en de Raad van Europa ertegen heeft geprotesteerd.

De Duitse wet op de Stasi-archieven is zorgvuldiger opgezet. Werkgevers, hoofdzakelijk uit de publieke sector, krijgen op hun verzoek een samenvatting van iemands dossier van een speciale instantie die is ingesteld om de 175 kilometer Stasi-archief te beheren. Deze wordt in de volksmond `Gauck-Behorde' genoemd, naar haar hoofd, de Oost-Duitse geestelijke Joachim Gauck. Vervolgens kan de werkgever per geval een afzonderlijk besluit nemen. Ten minste tweederde van de door de Gauck-Behorde geidentificeerde informanten heeft zijn of haar baan behouden. De werknemer kan bovendien in beroep gaan bij de rechtbanken voor arbeidszaken.

Toch is het daarbij natuurlijk niet altijd rechtvaardig toegegaan. Het gaat ook om onvoorstelbaar hoge aantallen: eind juni 1996 had de Gauck-Behorde al meer dan 1,7 miljoen verzoeken om inlichtingen beantwoord. Dat betekent dat een op de tien Oost-Duitsers zoals men zegt, was gegauckt.

Anderzijds heeft ook het nalaten van zuiveringen zijn prijs. Dat was in Polen oorspronkelijk het plan, maar binnen een jaar werd het aanblijven van voormalige communisten op hoge posten een brandende kwestie in de Poolse politiek. In de zomer van 1992 verschafte namelijk de minister van Binnenlandse Zaken van een uitgesproken anticommunistisch kabinet het parlement samenvattingen van dossiers waarin vooraanstaande politici werden geidentificeerd als medewerkers van de geheime politie. Natuurlijk lekten de namen uit naar de pers. Deze zogenoemde noc teczek, `nacht van de lange dossiers', deed de jonge democratie op haar grondvesten wankelen en leidde tot de val van het kabinet.

Zo was er in Polen, bij ontstentenis van een overeengekomen openbare wettige procedure, geen consensus zoals in Spanje. Dit leidde tot bittere langdurige lastercampagnes en grove politieke uitbuiting van de dossiers. Bij wijze van lang verbeid tegengif tegen dit alles heeft het Poolse parlement begin 1997 uiteindelijk een zorgvuldig geformuleerde `lustratiewet' aangenomen. Deze verplicht personen op hoge posities in het openbare leven, inclusief de door de overheid geleide media, om wanneer zij zich kandidaat stellen voor een ambt, of bij hun benoeming, te verklaren of zij in de periode van juni 1944 tot mei 1990 al dan niet `bewust hebben samengewerkt' met de veiligheidsdienst. Bij de huidige parlementsverkiezingen waren de verkiezingsbureaus van onder tot boven beplakt met lange kandidatenlijsten, met onder iedere naam de vereiste verklaring.

Het opbiechten van collaboratie op zichzelf is niet voldoende om iemand voor een openbaar ambt te diskwalificeren. Verscheidene kandidaten aan postcommunistische zijde hebben hun vroegere collaboratie toegegeven. Wie liegt, wie zegt dat hij niet heeft gecollaboreerd terwijl dat wel het geval was, wordt gedurende tien jaar van mededinging naar het ambt uitgesloten.

In Hongarije is in 1996 een `lustratiewet' aangenomen, die geleidelijk aan in praktijk wordt gebracht. Hier onderzoekt een commissie de curricula van hoge figuren in het openbare leven, en stelt hen alleen dan publiekelijk aan de kaak wanneer zij weigeren in stilte af te treden. Zowel de Poolse als de Hongaarse wet bepaalt de kring van te onderzoeken personen - naar mijn mening zeer terecht - veel exacter dan in Duitsland het geval is.

Sommige onderzoekers zijn in hun pleidooi voor zuiveringen een stap verder gegaan. Waar geen `lustratie' heeft plaatsgehad, zo menen zij, zoals in Polen en Hongarije (en elders in Oost- en Zuidoost-Europa), zijn de postcommunistische partijen weer aan de macht gekomen. Slechts waar wel `lustratie' heeft plaatsgehad, zoals in Tsjechoslowakije en Duitsland is dat niet gebeurd. Een oorzakelijk verband te zien tussen twee verschijnselen die slechts een samenhang vertonen - cum hoc, ergo propter hoc - is een oude dwaling van historici. Bij nadere beschouwing blijkt dat in de oostelijke Duitse deelstaten de postcommunistische partij het bij de verkiezingen heel goed heeft gedaan. Een van de oorzaken daarvan is nu juist de ergernis over wat men beschouwt als zuiveringen en overwinnaarsrechtspraak door de West-Duitse `bezetter'.

Men mag er niet zonder meer van uitgaan dat de terugkeer aan de macht van postcommunistische partijen met onberispelijke sociaal-democratische programma's de consolidatie van de democratie heeft geschaad.

Wel is het zo dat de terugkeer aan de macht van niet alleen de postcommunistische partijen maar ook personen met een besmet verleden binnen die partijen, populistisch, nationalistisch rechts munitie heeft geleverd tegen het functioneren van de nieuwe parlementaire democratie als zodanig.

Ten slotte zijn er de `geschiedenislessen', zoals ik het noem. Ze zijn er in verschillende soorten: van staatswege of onafhankelijk, openbaar of besloten. Het klassieke model van een openbare geschiedenisles van staatswege is de `waarheidscommissie', die in Latijns Amerika is ontwikkeld en die thans in Zuid-Afrika wordt toegepast. Waarheidscommissies bezitten een sterk politiek-theatraal element: het zijn een soort moraliteiten. Bisschop Tutu heeft laten zien dat hij dat volkomen begrijpt. Hij barst als eerste in tranen uit wanneer overlevenden vertellen over hun lijden, en de mensen van de geheime politie hun wreedheden opbiechten.

Juridische bestraffing is niet het oogmerk: in Zuid-Afrika leidt een volledige bekentenis niet tot een proces maar tot amnestie. Het gaat erom de waarheid vast te stellen (voor zover dat ooit mogelijk is), zo mogelijk een collectieve catharsis te bewerkstelligen (ongeveer zoals Aristoteles zich de catharsis in een Griekse tragedie voorstelde), en dan over te gaan tot de orde van de dag.

Je zou denken dat dit model zich bij uitstek leent voor de postcommunistische wereld, waar de regimes niet zozeer in stand werden gehouden door dwang, als wel door het dagelijkse weefsel van leugens. Maar ook dit is weer alleen in Duitsland uitgeprobeerd, en zelfs daar hebben de organisatoren het niet aangedurfd het woord `waarheid' in de mond te nemen.

In plaats daarvan kreeg de parlementaire commissie onder voorzitterschap van Rainer Eppelmann, een voormalige dissidente geestelijke uit Oost-Duitsland, de omslachtige titel `Enquetecommissie in de Duitse Bondsdag [voor de] Aufarbeitung (verwerking) van het verleden en de consequenties van de SED-dictatuur in Duitsland'.

Er zijn honderden getuigen gehoord, men heeft deskundigen rapporten laten opstellen, en de media hebben het allemaal gevolgd. Nu ligt er een rapport op tafel van 15.378 pagina's - en een vervolgcommissie werkt alweer aan een volgend rapport. Het rapport bestrijkt alles tot in details, van de rol van de Stasi tot aan die van de kerken, de machtsstructuren, de politie en de rechterlijke macht, de oppositie en de betrekkingen met West-Duitsland. Voor de mensen die de Oost-Duitse dictatuur bestuderen zou dit wel eens kunnen worden wat de verslagen van de processen in Neurenberg zijn voor de kenners van het Derde Rijk.

In Polen en Tsjechoslowakije hebben de nationale enquetecommissies zich daarentegen geconcentreerd op de voornaamste crises in de geschiedenis van de communistische staat: Solidariteit en de Praagse Lente. In beide gevallen heeft men zich vooral gericht op de Sovjet-connectie: wie heeft in augustus 1968 het Rode Leger `uitgenodigd' om Tsjechoslowakije binnen te vallen? Wie heeft in 1981 in Polen de staat van beleg afgekondigd? Evenzo heeft men zich in Hongarije toegelegd op de revolutie van 1956 en de Sovjet-invasie die daaraan een eind heeft gemaakt. In plaats van, zoals Havel heeft voorgesteld, eens rustig na te denken over de persoonlijke verantwoordelijkheid die ieder afzonderlijk en allen tezamen hadden voor de instandhouding van het communistische regime, werpt men zich eensgezind en verontwaardigd op de verraders die de Russen hebben binnengehaald.

Een andere vorm van geschiedenisles is minder formeel en ritualistisch, maar vereist wel de instemming van de overheid. Dat is namelijk dat de archieven van het oude regime worden opengesteld voor wetenschappers, journalisten, schrijvers en filmers - en laat dan honderd documentaires bloeien.

Ook hierin is Duitsland weer het verst gegaan wat sterk werd vergemakkelijkt doordat de Oost-Duitse staat op 3 oktober 1990 ophield te bestaan. Vrijwel alle archieven van de voormalige DDR zijn opengesteld, en ze bieden een weelde aan gegevens voor onderzoek naar een communistische staat. Ik zeg `vrijwel alle', want een opvallende uitzondering wordt gevormd door het archief van het Oost-Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken, waarin het merendeel van de verslagen wordt bewaard van de veelal kruiperige gesprekken die West-Duitse politici hebben gevoerd met de Oost-Duitse leiders. Bij het openstellen van de archieven hebben de West-Duitse politici dus heel dapper niemand gespaard, behalve zichzelf.

Elders in Midden-Europa is de openstelling van de archieven meer met horten en stoten verlopen, deels wegens de hierboven beschreven houding van de politici, deels eenvoudigweg door gebrek aan middelen en geschoold personeel.

Duitsland heeft bovendien pionierswerk verricht door stelselmatig, onder beheer van de Gauck-Behorde, de dossiers van de geheime politie open te stellen voor iedereen - spion of bespioneerde - die zo'n dossier heeft en wil weten wat er in staat. Volgens een redelijke schatting hebben meer dan 400.000 mensen hun Stasi-dossier ingezien, wachten meer dan 300.000 nog op hun beurt, en hebben meer dan 350.000 mensen met opluchting - of was het teleurstelling? - vernomen dat er over hen geen dossier was. Ik kan met geen mogelijkheid een wetenschappelijke methode bedenken om de waarde van dit unieke experiment te taxeren. Sommige mensen hebben de vreselijkste dingen in hun persoonlijk leven ontdekt: zo is de Oost-Duitse vredesactiviste Vera Wollenberger erachter gekomen dat zolang zij getrouwd was haar man de geheime politie over haar heeft ingelicht.

Slechts de mensen zelf kunnen zeggen of het beter is om het te weten.

Elders in Midden-Europa werd het Duitse experiment aanvankelijk scherp gekritiseerd en bestreden, met de argumenten dat het oude wonden zou openrijten, dat het zonder goede reden reputaties zou vernietigen, en dat de archieven van de Poolse en de Hongaarse geheime politie veel onbetrouwbaarder zijn dan de Duitse.

In Hongarije zijn de mensen in de gelegenheid gesteld om een kopie van hun dossier op te vragen. Hierbij is duidelijk de Duitse situatie tot voorbeeld genomen, zij het dat de Hongaarse regels verdergaande anonimisering verlangen, wat wil zeggen dat de namen op de kopieen onleesbaar worden gemaakt.

In Tsjechie is in 1996 een wet aangenomen die mensen die op enig tijdstip tussen 1948 en 1990 Tsjechoslowaakse ingezetenen waren, onder vergelijkbare voorwaarden de gelegenheid biedt om hun dossier te lezen. De eerste aanvragen zijn in juni 1997 goedgekeurd. Tot dusverre is er opmerkelijk weinig debat geweest over individuele gevallen, en hebben maar weinig prominente voormalige dissidenten hun dossier opgevraagd. Misschien dat een eventuele vondst van sensationeel materiaal daar nog verandering in zal brengen, maar op het ogenblik hoor je in Praag dat het publiek weinig belangstelling toont. De Tsjechen lijken te denken dat ze dit allemaal al hebben afgehandeld met het grote `lustratiedebat' uit het begin van de jaren negentig.

Nu is Polen aan de beurt. De nieuwe regering van na Solidariteit heeft zich verplicht de dossiers van de geheime politie voor individuele burgers toegankelijk te maken. Polens postcommunistische president Aleksander Kwasniewski heeft het parlement snel zijn voorstel voor een `burgerarchief' onder een onafhankelijke raad van toezicht voorgelegd.

Wie had vijftig jaar geleden kunnen denken dat de Polen voor de omgang met hun problematische verleden nog eens bij de Duitsers te rade zouden gaan?

Voor de beste omgang met een problematisch verleden bestaan geen eenvoudige algemene richtlijnen, en universeel geldige wetten al helemaal niet. Zelfs op mijn eerste fundamentele vraag - of het uberhaupt goed is om aan het verleden terug te denken en geleden onrecht aan te pakken - bestaat geen eenvoudig antwoord. De oude argumenten voor vergeten zijn veel sterker dan de historicus lief is. Een geslaagde democratie als het naoorlogse Frankrijk is gebouwd op een bewust beleid van vergetelheid, al is daar wel een prijs voor betaald.

Mijn conclusie is, dat als het verleden onder de loep wordt genomen, dat op een snelle, ordelijke, openlijke en wettige manier moet geschieden. Dat heeft bovendien het grote voordeel dat de mensen daarna kunnen overgaan tot de orde van de dag.

In Midden-Europa is - enkele belangrijke uitzonderingen daargelaten - de noodzaak van rechtszaken twijfelachtig gebleken, en is het zeer de vraag of ze ook maar iets hebben uitgehaald. Pogingen om bestaande nationale wetten toe te passen hadden een geforceerd en selectief karakter en zijn vaak ronduit op mislukkingen uitgelopen. Toonbeelden of steunpilaren van de gerechtigheid waren het bepaald niet. Hoe moeilijk het ook is, de minst slechte aanpak zal toch wel zijn dat men tracht een solide inernationaal rechtsstelsel te vestigen voor `misdrijven tegen de menselijkheid' en `oorlogsmisdaden'. Voortbouwend op het Haagse tribunaal voor Bosnie en dat voor Rwanda in Tanzania, zouden wij het permanente internationale gerechtshof moeten instellen waarvoor Richard Goldstone en anderen zo urig hebben gepleit - een gerechtshof waarvan alle dictators, waar ook ter wereld, zouden weten dat zij zich er ooit voor zullen moeten verantwoorden.

Voorlopig hebben de Hongaren met integratie van het bestaand internationaal recht in het nationaal recht een interessante weg ingeslagen. Maar dat bleef beperkt tot slechts een episode, de Hongaarse revolutie van 1956, die al meer dan veertig jaar achter ons ligt. De toepassing van die wet is bovendien bemoeilijkt door de problemen met de bewijsvoering die wij maar al te goed kennen van de processen die de afgelopen decennia tegen nazimisdadigers zijn gevoerd.

Wat zuiveringen betreft: een goede zuivering is waarschijnlijk een onmogelijkheid. De Tsjechoslowaakse `lustratie' werd snel en met een zekere plompe effectiviteit uitgevoerd, maar ging ernstig mank aan onrechtvaardige procedures. Het Duitse gaucken was procedureel rechtvaardiger: zorgvuldig, individueel en met recht van beroep. Toch is er in de pers vaak misbruik van gemaakt. Ook neemt het monsterachtige proporties aan: moesten postbodes en treinmachinisten nu heus worden gegauckt?

Polen heeft laten zien welke prijs moet worden betaald als er op geen enkele manier wordt gezuiverd. De Hongaren, die gewoontegetrouw het Duitse model overnamen en verbeterden, kwamen ten slotte met een verfijning waar wel wat voor te zeggen valt: slechts van personen op of kandidaten voor hoge posities in het openbare leven zou zorgvuldig het doopceel worden gelicht. Dat kwam wel zeven jaar te laat. En nu heeft Polen dat voorbeeld eindelijk gevolgd, met een wet die waarschijnlijk de meest scrupuleuze is van allemaal.

Persoonlijk geloof ik dat de derde weg, die van de geschiedenislessen, de beste vooruitzichten biedt. Dat heeft West-Duitsland het best gedaan met betrekking tot het nazisme, tenminste vanaf de jaren zestig.

Wat het verenigde Duitsland in dit opzicht sedert 1990 heeft gedaan is voorbeeldig: de parlementaire commissie, de openstelling van de archieven en de unieke gelegenheid voor een heel persoonlijke geschiedenisles dankzij de toegang tot de Stasi-dossiers.

Wie deze derde weg bepleit, ruimt uiteraard een heel speciale plaats in voor historici die zich verdiepen in de contemporaine geschiedenis. Maar juist bij het onderzoek naar het erfgoed van een dictatuur wordt maar al te duidelijk hoe moeilijk het is om ook maar iets van de historische waarheid vast te stellen. Juist bij zulke radicale bewindsveranderingen komt aan het licht hoe buitengewoon onbetrouwbaar alle getuigenissen omtrent het verleden zijn.

De archieven van een staat die draaide op geinstitutionaliseerde leugens, en dan vooral de giftige snuffelarchieven van een geheime politie, kunnen bij onzorgvuldig gebruik levens ruineren. Zorgvuldig gebruik ervan eist het uiterste van de kritische vaardigheden die historici routineus toepassen op een middeleeuwse oorkonde of een achttiende-eeuws pamflet. Desalniettemin ben ik er - op grond van mijn intensieve omgang met zulk materiaal en het vele dat ik erover gelezen heb - van overtuigd dat het mogelijk is. Het is niet waar, zoals zo vaak wordt beweerd, dat deze archieven zo corrupt zijn dat ze onbruikbaar zijn voor betrouwbare geschiedschrijving. De gegevens moeten zeer nauwlettend worden geanalyseerd. De tekst moet in zijn historische context worden geplaatst. De interpretatie vereist zowel intellectuele distantie als een wezenlijk vermogen om zich in de betrokken mannen en vrouwen - zelfs de onderdrukkers - te verplaatsen. Met behulp van deze oude, vertrouwde disciplines kan een waarheid worden achterhaald. Niet een absolute Waarheid met een grote W, maar toch een reele en belangrijke waarheid.