Gefrustreerde agenten in Kosovo. Als je wint, is het heel moeilijk om te stoppen

De Serviers maken weinig haast met het terugtrekken van troepen uit Kosovo. Toch zijn de Kosovaren `gelukkiger' dan vorig jaar. “We zijn nergens bang meer voor.'

“Fijne baan', moppert de Servische agent bij de politiepost van Komorane. In de volstrekte duisternis van het platteland moet hij met een zaklantaarn de papieren van passerende automobilisten controleren. Met de witte mouwstukken, riem en pet van de verkeerspolitie maakt dat hem tot een ideale schietschijf voor sluipschutters. Maar de verkeersveiligheid in Kosovo gaat het Servische bewind momenteel voor alles. Bij de vele wegversperringen maakten de kalasjnikov en het paarsblauw van de speciale politie de afgelopen weken plaats voor het dienspistool en het blauw-wit van de verkeerspolitie. Het is een van de manieren waarop Servie gehoor geeft aan de door de NAVO geeiste terugtrekking van speciale politietroepen uit Kosovo.

Ook in nachtelijk Komorane zit de verkeerspolitie nu in een schemerig wachthok klaar om uit te rukken in geval van botsingen of snelheidsovertredingen. Het lokaal is versterkt met zandzakken, in een hoek staan vijf machinegeweren. Verkeer is er nauwelijks, maar in de zuidelijke heuvels klinkt om de minuut een doffe knal. Mortieraanvallen van Albanese terroristen, beweert de verkeersagent. “We mogen alleen terugschieten als ze vlakbij komen, op 50 meter. Dankzij de NAVO moeten we nu met een arm op de rug vechten. Dat geeft de Albanezen moed. Ze hergroeperen zich en durven ons weer met grotere eenheden aan te vallen. Het is heel frustrerend.'

De volgende morgen blijken de knallen evenwel afkomstig uit het Albanese dorpje Trpeza, dat onder vuur is gekomen van Servische tanks. Die rolden maandag de heuvels rond Komorane binnen nadat drie Servische agenten om het leven kwamen bij een granaataanval in het naburige Orlate. Zoiets kan niet ongewroken blijven.

En omdat de legereenheid in kwestie al langer dan een jaar bij Kosovo's hoofdstad PrIstina is gelegerd, worden deze troepenverplaatsing niet als een schending beschouwd van het akkoord van Belgrado tussen president MilosevIc en de Amerikaanse gezant Holbrooke.

Dinsdag besluit de NAVO opnieuw over het al dat niet bombarderen van de Serviers. De vraag is of zij zich houden aan het akkoord, dat voorziet in een gedeeltelijke terugtrekking van Servische leger- en politietroepen uit Kosovo repatriering van Albanese vluchtelingen en ontheemden, spionagevluchten boven Kosovo en de komst van 2000 `verficateurs' van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE).

Deze week klaagden onder meer secretaris-generaal Solana van de NAVO en de Amerikaanse gezant Hill dat de terugtrekking van Servische troepen vrijwel tot stilstand is gekomen. Maar verzekeringen dat de NAVO “nog steeds de vinger aan de trekker heeft' klinken inmiddels wat hol. Als de NAVO gaat bombarderen waarom maken de waarnemers en hulpverleners zich dan op voor een permanent verblijf in Kosovo? Tegelijkertijd waarschuwen steeds meer Westerse diplomaten dat het `Kosovo Bevrijdingsleger' UCK Servische troepen aanvalt om represailles uit te lokken, of dat de Albanese vluchtelingenkampen bewust in stand worden gehouden om internationaal medelijden te wekken.

Ook dat wijst ook niet op een sterke wil om in te grijpen. Het UCK weet in elk geval allang uit welke hoek de wind waait. “Niets hebben jullie geleerd van Bosnie', schreeuwt een jonge UCK-soldaat donderdag in het vluchtelingenkamp Kisna Reka tegen een Britse diplomaat. “Praten praten, niets doen. Het zou moeten gaan van: u gehoorzaamt ons niet meneer MilosevIc? Dan: boem, boem.'

`Boem, boem' lijkt voorlopig niet aan de orde, maar vredig is de huidige situatie in Kosovo evenmin. Langs de hoofdwegen hebben de Servische troepen een spoor van vernielingen aangericht. Op veel plaatsen zijn de huizen doorzeefd verbrand, opgeblazen. Elders heeft men de zelfbeheersing opgebracht om er een paar te laten staan. “Punk is niet dood, Adem Jashari (een vroegere UCK-commandant) is dood', heeft een Servier op een muur in Mali^sevo geschreven. Deze zomer was Mali^sevo de hoofdstad van het UCK nu resteert een spookstad van puin, glasscherven en verkoolde huizen waartussen slechts politiepatrouilles en zwerfhonden bewegen. Gevochten is er niet in Mali^sevo, het betreft hier louter Servisch vandalisme.

Het Decani-gebied in het zuiden van Kosovo, waar de wapens voor het UCK uit Albanie werden binengesmokkeld, lijkt bijna gezuiverd van Albanezen. `Schieten zonder waarschuwing', staat op een legerbord naast de weg naar het verwoeste UCK-dorp Smonica. Een wit paard graast er tussen de karkassen van dode koeien. De bejaarde Albanezen die op sommige plaatsen op de boerderijen passen, zijn weinig spraakzaam. “We kunnen niet praten, straks zien ze ons', zegt een oude man. `Ze', dat is het Joegoslavische leger dat de grensstreek controleert. Locale Servische boeren rijden daarentegen in het uniform van de speciale politie op hun tractors rond. Het is duidelijk wie hier nu de baas is.

Langs de hoofdwegen van Kosovo liggen om de paar kilometer groepen van 10 tot 20 agenten gelegerd in met zandzakken versterkte benzinepompen, woonhuizen of schuttersputjes. “Wij hebben de verwoestingen aangericht, daarin moet ik eerlijk zijn', zegt een aangeschoten jonge agent die op wacht staat met een Fanta-fles vol rakia “Ik had geen ervaring met dit soort zaken.

Toen we Orahovac in juli veroverden op het UCK, begonnen collega's winkels in brand te steken. Als je wint, is het heel moeilijk te stoppen met brandstichten. Ik weet niet waarom.'

In de dorpen die verscholen liggen achter de maisvelden en wijngaarden, wachten de Albanezen van Kosovo op de winter. In sommige dorpen zijn enkele huizen in brand gestoken door passerende Servische troepen, andere dorpen zijn nog vrijwel intact. Zoals Marallia, even ten zuiden van Malisevo. Rond het dorp heeft het UCK een nieuw loopgravenstelsel aangelegd. Niet dat loopgraven de Serviers tot dusver hebben gehinderd, maar men blijft proberen.

Marallia zit al maanden zonder stroom. Op een verre heuvelrug maait een Servisch zoeklicht door de nacht, bij de weg naar Malisevo hangt even een lichtkogel in de lucht, verder is de duisternis bhijna compleet. Een huis in Marillia heeft elektriciteit uit een generator, en een satelliettelefoon. Daar komen de mannen bijeen, en de soldaten van het UCK. Ze eten brood, kip, worst en groene pepers, drinken bier en cola. De stemming is vrolijk. Een humanitaire ramp speelt zich nog niet af in Marilla, al heeft het dorp in vredestijd 1.100 inwoners en nu 3.000, vooral gevluchte familieleden uit andere streken van Kosovo. “Er is hier veel verwoest, dat klopt', zegt dokter Hamsi Bityqi. “Toch zijn we gelukkiger dan vorig jaar. We zijn nergens meer bang voor.'

We brengen de nacht door in het gastenverblijf van hodja Feta Bagolli. De religieuze leider zegt niet te begrijpen wat de Serviers hier nog zoeken. “Ze bewaken de asfaltweg, maar daar rijdt niemand nog overheen omdat hier alleen Albanezen wonen. En als het UCK het verkeer wil aanvallen, kunnen de Serviers daar niets tegen doen.' Maar als het UCK hier actiever wordt, is de hodja dan niet bang voor Servische represailles? “Het UCK heeft zijn bevelen', zegt de hodja berustend. “Wij burgers hebben niets te zeggen.'