Geen nachtzoen meer; Scholen reageren verkrampt op ontuchtaffaires

Gedragscodes, protocols, regels over wel of niet een kind op schoot. Onderwijzers proberen zich te beschermen tegen verdachtmakingen. Ze zijn bang door alle affaires.

En wat ze lastig vinden: seksueel misbruik herkennen bij kinderen. `Heb ik nou poep in m'n ogen? Ik zie geen signalen.' Jongens, ik kijk nergens naar, maar ik moet hier wel even wezen `Pikkenlikker' riep een jongetje uit groep 1 vorige week

Een jongetje, net vier, moet plassen. Maar zijn juffrouw heeft geen tijd, ze is een andere kleuter aan het redden die vastzit in het klimrek. De directeur van de school loopt langs het lokaal, hij ziet zijn collega en het kind dat bijna begint te huilen. De directeur neemt hem mee naar de wc. Broek omlaag, plassen, piemel droogmaken, broek omhoog. Het jongetje gelukkig.

Maar zijn ouders niet. Aan het eind van de middag komen ze samen naar school. Hun zoon heeft thuis verteld dat hij met een man op de wc was. De onderwijzeres van groep 1 legt uit wat er is gebeurd. Zelf geen tijd, directeur toevallig in de buurt. 's Avonds belt de directeur de ouders thuis op, om het zelf nog eens uit te leggen. “We kunnen', zegt hij op de volgende teamvergadering, “niet voorzichtig genoeg zijn.'

Ze volgen cursussen die `preventie seksueel misbruik' heten of `professionele tederheid'. Ze bedenken gedragscodes, protocollen ze spreken regels af, en in de koffiekamer ligt ter inzage de brochure `Dat komt bij ons op school niet voor..TE: Onderwijzers letten op zichzelf en op elkaar. Ze moeten wel, zeggen ze. Want steeds is er een nieuwe ontuchtaffaire. Bij de padvinderij, de sportclub of in het zwembad maar vaker op een school of kinderdagverblijf. En natuurlijk dacht iedereen aan hen toen de minister van Justitie eind vorige maand voorstelde om veroordeelde pedofielen te registreren. Die mochten nooit meer een baan vinden in de buurt van kinderen.

Bang waren de onderwijzers al, voor de valse beschuldiging. Erger is: ten onrechte op de zwarte lijst staan - zo heet de pedofielen-registratie nu in onderwijsbladen.

En ze moeten er niet aan denken dat op een dag Willibrord Frequin met camera en microfoon naast hen loopt: Waarom deed jij dat, met die kleine kinderen? Het overkwam een verdachte pedofiel een paar weken geleden, Frequin had hem op straat in Amsterdam ontdekt.

Of dat ze in het tv-programma De Week van Willibrord - eerst RTL4 nu SBS6 - door ouders worden beschuldigd van seksueel misbruik in kelders onder de school en op boerderijen in Duitsland. Dat gebeurde dit voorjaar. Later bleek dat de ouders die beschuldigingen, tegen twee onderwijzeressen in Limburg, hadden verzonnen. Vorig najaar waren `sekskelders' onder school ook al gebruikt in een aanklacht tegen onderwijzers van een school in Drenthe. Ook die beschuldigingen bleken niet waar.

Verkeerde plekken

Natuurlijk vinden onderwijzers dat leerlingen beschermd moeten worden. Heel goed dat er nu aandacht is voor ellende die mensen veroorzaken als ze niet van kinderen kunnen afblijven. Maar hoe beschermen ze zichzelf tegen verdachtmakingen?

De nachtzoen in groep 8 hebben ze afgeschaft op de Groenvlietschool in IJsselstein. Gillende meiden die zich, diep weggekropen in hun slaapzak, verzetten tegen de kussende meester - dat hoorde bij ieder schoolkamp. Een paar jaar geleden drong ineens door dat het niet meer kon zo.

De school legde zichzelf ook gedragsregels op. Veel scholen doen dat nu. Voorbeeld-regels en concept-gedragscodes kunnen ze opvragen bij schoolbegeleidingsdiensten onderwijsbonden of de GGD.

Onderwijzers van de Groenvlietschool mogen leerlingen `niet onnodig veel' aanraken. Ze moeten de deur openlaten als ze met een kind alleen in het lokaal zijn. Kinderen die hun gymkleren niet bij zich hebben, hoeven niet meer in onderbroek mee te doen. Tot die tijd was dat hun straf, leerlingen moesten leren aan hun spullen te denken. Vrouwelijke docenten mogen niet in de kleedkamer komen van de jongens, mannen niet in die van de meisjes.

Lieke Gijzel onderwijzeres van groep 3: “Maar als ze elkaar afmaken, moet ik toch naar binnen.

Dan probeer ik zo neutraal mogelijk te kijken.' Neutraal? “Zo van: jongens, ik kijk nergens naar, maar ik moet hier wel even wezen.'

Vorig jaar had ze een jongetje in de groep die steeds op schoot kwam zitten, haar wilde zoenen. “Ik vind jou zo lief, juf', zei hij dan. Lieke Gijzel: “Ik heb dat maar een beetje afgehouden. Ik zei: ik heb er al een van je gehad hoor, vandaag, en dat was dan ook zo. Maar steeds als hij bij me in de buurt was, sloeg de liefde hem om z'n hart.'

Er was op de school nog geen ouder die klaagde, en niemand van de onderwijzers was gelukkig met de regels. “We vonden dat we onszelf moesten beschermen. Er was opeens zoveel publiciteit over ontucht.'

De Gooilandschool in Bussum heeft sinds deze zomer een Protocol Preventie Seksuele Intimidatie. Twee pagina's met `gedrags- en omgangsregels'. Aanleiding waren affaires in de buurt. In Laren werd deze zomer een onderwijzer op non-actief gesteld omdat hij kinderen op verkeerde plekken had aangeraakt. In Hilversum werd een directeur ontslagen. Ook hij had aan leerlingen gezeten. Bij meisjes die hem hun rapport lieten zien, trok hij hun bloes omhoog en riep: “Nou, jij bent goed vooruit gegaan.' Hij deed dat al jaren, waar anderen bij waren, en al zijn collega's vonden het grappig. Totdat er vorig jaar klachten kwamen tegen de man, van oud-leerlingen.

Punt 1 van het protocol gaat over `het fysiek aanraken van kinderen': `Wij zijn zeer terughoudend in het geven van een zoen aan kinderen. Bij kinderen tot en met groep drie is de verjaardagskus geen probleem. Bij oudere kinderen wordt er alleen een zoen gegeven als het initiatief nadrukkelijk uitgaat van het kind. De leerkrachten van groep 7 en 8 geven kinderen geen zoen.'

Bij punt 1 hoort ook: `De leerkrachten van groep 7 en 8 nemen geen kinderen op schoot.' En: `Wij zijn van mening dat het stoeien met kinderen niet per se kwalijk hoeft te zijn. Wanneer stoeien voortkomt uit de seksuele behoefte van een leerkracht om kinderen op intieme plekken aan te raken, dan keuren wij dit ten zeerste af.'

En verder zijn er regels over `verbale communicatie' - wij keuren dubbelzinnige opmerkingen en vieze moppen af' - en aanwijzingen voor de dagelijkse omgang met leerlingen. Alleen `in noodgevallen' mogen onderwijzers in de doucheruimtes komen, en ze moeten `terughoudend' zijn in het thuis ontvangen van leerlingen. Het protocol lijkt verkrampt, zegt Huib Jochems, onderwijzer van groep 8. “Maar het werkt heel goed. Ik ben me meer bewust van wat ik doe. Ik stoei nog steeds met jongens. Maar niet meer als ik alleen met ze ben. Met meisjes heb ik stoeien eigenlijk altijd al afgehouden.' Die hebben daar, denkt hij, ook minder behoefte aan.'

Vanaf 1 augustus dit jaar moeten scholen een klachtenregeling hebben voor seksuele intimidatie, een klachtencommissie en er moet een vertrouwenspersoon zijn van buiten de school. De meeste basisscholen hebben sinds kort ook een eigen vertrouwenspersoon aangewezen, officieel de `intern contactpersoon'. Die luistert naar ouders of leerlingen, en geeft klachten over collega's door aan de externe vertrouwenspersoon, de vertrouwensarts en de commissie. Op cursussen leren die `contactpersonen' wat ze in ieder geval niet moeten doen: met de collega praten tegen wie de klacht is gericht. Henk Hekstra, pedagoog en cursusleider van het Educatief Dienstverleningsinstituut Midden-Nederland in Hilversum: “Die collega zal dan, als hij de dader is, alle trucs uit de kast trekken om duidelijk te maken dat hij het niet heeft gedaan.'

En als hij de dader echt niet is?

“Het komt een enkele keer voor, ja', zegt Hekstra, “dat de klacht onterecht is.'

Maar de pedagoog ziet bij onderwijzers toch vooral de neiging om `elkaar af te dekken'. “Ze denken eerst: dat kind loopt er uitdagend bij, en die ouders hebben altijd wat te zeuren.'

Huib Jochems van de Gooilandschool in Bussum volgt nu de cursus voor contactpersonen, `In vertrouwde handen', van Hekstra. Jochems: “Ik hoor nu te zeggen dat ik het niet aan mijn collega zal vertellen als er bij mij een klacht over hem komt. Maar ik vind dat lastig. Ik ken mijn collega's goed. Henk Hekstra zegt dan: je kent hun seksuele leven niet. Dat is zo. Je kent hun geaardheid, maar of ze met zweepjes op zolder zitten, weet je niet.'

Bij de onderwijsinspectie kwamen vorig jaar eenenvijftig klachten binnen van seksueel misbruik, waarvan achtentwintig uit het basisonderwijs. Minder dan de helft daarvan leidde uiteindelijk tot een veroordeling. Achtentwintig klachten van zo'n achtduizend basisscholen in Nederland. Dat is niet veel, vinden ook de orthopedagogen en psychologen van schoolbegeleidingsdiensten en onderwijsbonden. Maar in hun voorlichtingsbrochures en cursussen blijven ze onderwijzers waarschuwen voor het topje van de ijsberg. Nog steeds baseren ze die waarschuwing vooral op het onderzoek van klinisch psycholoog Nel Draijer uit 1985: een op de zes of zeven vrouwen zou voor haar zestiende seksueel misbruikt zijn door mensen uit haar directe omgeving.

Twee jaar na dat onderzoek zagen pedagogen, kinderpsychologen, en heel veel journalisten opeens iets meer dan alleen het topje van de enorme ijsberg - die ook toen al zo heette. In het Groningse dorp Oude Pekela.

Daar zouden tussen de dertig en zeventig kinderen zijn misbruikt. Een verdachte heeft de politie niet kunnen vinden. Kort daarna haalde het medisch kleuterdagverblijf De Bolderkar in Vlaardingen veertien kinderen bij hun ouders weg wegens incest. De methode die de Bolderkar had gebruikt om seksueel misbruik vast te stellen, bleek niet betrouwbaar.

Maar het vermoeden bleef hardnekkig dat veel meer kinderen slachtoffer waren dan uit aanklachten en veroordelingen viel op te maken. Er was de Dutroux-zaak, de kinderporno in Zandvoort, voortdurend werden nieuwe ontuchtschandalen onthuld. En uit onderzoeken bleek begin jaren negentig ook dat een op de tien of vijftien mannen als kind seksueel zou zijn misbruikt.

Gladjakker

Onderwijzers zijn niet alleen scherper gaan letten op hun eigen gedrag wat nu nog wel kan en wat niet, ze houden ook hun leerlingen beter in de gaten. Ze weten dat ze, als ze de onderzoeken geloven moeten, in iedere groep zeker wel zo'n twee of drie kinderen hebben die worden misbruikt door ouders, buurman, oom of stiefvader. Huib Jochems van de Gooilandschool: “De laatste jaren ben ik me er heel erg van bewust geworden dat ik die dus mis. Dan denk ik: heb ik nou poep in m'n ogen? Ik zie geen signalen.'

Hij kan zich maar twee kinderen herinneren bij wie hij incest vermoedde, twaalf en acht jaar geleden. Een meisje dat verkrampt reageerde op aanrakingen. Ze haalde soms ineens slechte cijfers vooral na een weekend dat ze bij haar vader was geweest. Jochems meldde haar aan bij de GGD en de vertrouwensarts. Maar het meisje zei niks. “Dan houdt het op.'

Van een ander meisje vertrouwde hij de vader niet. “Zo'n gladjakker die je naar de mond praat, maar wel ineens driftig kan worden.

Dat meisje was schrikachtig. Ik heb een jaar lang getwijfeld wat ik moest doen, toen zat ze niet meer in mijn groep.'

Want naast de angst om signalen te missen, zegt Jochems, is er ook de angst dat je je vergist. “Ik heb zelf drie kinderen. Stel je voor dat iemand van hun school bij me komt, hij heeft net zo'n cursusje gedaan en zegt: meneer u zit aan uw kinderen.'

Nanko Wierenga, adjunct-directeur van basisschool De Krullevaar in Nieuwegein, schreef drie jaar geleden voor zijn Hogere-Kaderopleiding pedagogiek een scriptie over incest en onderwijzers die signalen van kinderen liever niet zien omdat seksueel misbruik zo'n lastig onderwerp is. Wierenga bestudeerde de signalen, en de `weerstand' in het onderwijs om die te herkennen. Misbruik van kinderen komt `gigantisch veel' voor, zegt Wierenga. Maar ook hij kan zich na twintig jaar in het onderwijs, maar een echt vermoeden van incest herinneren. “Dat bleek uiteindelijk niet waar te zijn, althans, het is nooit bewezen. Ik heb nog steeds mijn twijfels. Het was waarschijnlijk de stiefvader.'

Het meisje wilde niet meer onder de douche als hij in de buurt was, ze wilde hem geen nachtzoen geven. Haar moeder dacht dat er iets niet klopte, Wierenga zelf had niets aan het meisje gemerkt. “Een valkuil', zegt hij, “is dat die kinderen zich soms ook juist heel sociaal wenselijk gaan gedragen, zich heel erg aanpassen.'

`Schat'

Op cursussen en uit literatuur leren docenten over meer dan honderd signalen. Op de lijst staan aanwijzingen waar niemand omheen kan: sperma in de vagina, verwondingen tussen billen en bovenbenen, en ook `naar zaad ruiken'. Maar hoe komt een onderwijzer daarachter?

Er staan punten op die alles kunnen betekenen en dus niks: nachtmerries, liegen, stelen brandstichten, steeds maar praten over seks, keelpijn, hoofdpijn buikpijn.

En met veel van de genoemde signalen weten onderwijzers zich geen raad. Misbruikte kinderen vragen extreem veel aandacht of trekken zich in zichzelf terug. Ze durven niet te plassen of ze plassen opvallend vaak, ze slapen slecht of juist heel veel. Ze zijn meegaand of heel lastig. Ze verstijven bij iedere aanraking of ze zoeken voortdurend lichamelijk contact. Ze zijn bang voor volwassenen of richten zich alleen maar op volwassenen.

Het blijft Fingerspitzengefuhl zegt Wierenga. En goed opletten. “Ik hoorde laatst een vader `schat' zeggen tegen zijn dochter op een manier waarvan ik dacht: bah. Dat was seksueel getint.'

Twee jongens en vier meisjes van zijn school werden in 1991 - Wierenga zelf werkte er toen nog niet - seksueel misbruikt door een man uit de buurt. Hij werd veroordeeld tot gevangenisstraf en tbs. Bijna een jaar lang durfden de kinderen niets te zeggen, en de school had niets gemerkt. Een van de meisjes, vijf jaar vroeg wel veel aandacht. Haar onderwijzeres Carina Dautzenberg, nu directeur, liet haar door de schoolbegeleidingsdienst onderzoeken, maar dat leverde niets op. Van de twee misbruikte jongens was er een opvallend schichtig, nerveus, en samen maakten ze vieze mopjes waar alleen zij om moesten lachen. Maar dat bedachten de onderwijzers pas achteraf.

Waar ze nu op moeten letten - onderwijzers hebben geen idee. Kinderen die vaak met hun hand in hun kruis zitten worden extra in de gaten gehouden. En kinderen die al op hun vierde praten over neuken. “`Pikkenlikker' riep een jongetje uit groep 1 vorige week ', zegt een onderwijzeres uit Rotterdam. In een kinderdagverblijf vinden leidsters een van de vaders verdacht. Om hoe hij 's ochtends afscheid neemt van zijn zoon van drie.

Hij gaat op zijn knieen zitten, trekt het kind tussen zijn benen en zoent hem op zijn mond, minutenlang. De leidsters krijgen daar een `naar gevoel' van.

Ook hulpverleners van GGD's crisis-opvanghuizen en medische kleuterdagverblijven weten lang niet altijd wat signalen zijn en wat niet. Ze weten wel hoe bizar die soms blijken te zijn. Een kind dat alleen in tuinbroek naar school wil, dan kan de meester in de klas niet met zijn hand bij z'n billen. Een kind dat niet van vla houdt - “te smerig om over na te denken', zegt een groepsleider van een crisis-opvanghuis voor kinderen. Of een kind dat zegt: papa spuugt. Een schoolverpleegkundige van de GGD: “Als je dan vraagt: wanneer spuugt hij? Dan zegt zo'n kind: als hij plast.'

Het belangrijkste is, vinden hulpverleners, dat er niet te paniekerig wordt gedaan over seksueel misbruik. Kinderen raken daar nog meer van in de war, ze denken dat ze hun ouders hebben `verraden'.

“De signalen worden meestal het eerst op school herkend', zegt Marga Bakker groepsleider van Spoedhulp, een crisis-afdeling voor kinderen tot twaalf jaar, in Amsterdam. “Dan komt de politie erbij, de kinderbescherming. Ik denk wel eens: mijn god, wat hebben ze veroorzaakt. Die kinderen hebben, als ze beginnen te vertellen wat er is gebeurd, niet door dat er geen weg meer terug is.'

Ze worden vaak geplaatst in pleeggezinnen of in de crisis-opvang, niet altijd samen met broertjes en zusjes. Zelfs als vader, oom of `huisvriend' is opgepakt.

Het medische kleuterdagverblijf 't Kabouterhuis in Amsterdam heeft een speciaal protocol voor kinderen bij wie seksueel misbruik wordt vermoed, veel kleuterdagverblijven hebben dat nu. Ieder vermoeden moet door nauwkeurig omschreven `fases' van `signalering', `informatie', `diagnostiek' en `behandeling'.

Om kinderen, ouders en de groepsleiders te behoeden voor een vergissing. Want het aantal vermoedens neemt toe. “Ik merk en zie het om me heen: mensen zijn er mee bezig', zegt Ans van Wijk behandelcoordinator van het kleuterdagverblijf. “Ouders worden ongerust als de chauffeur van het schoolbusje hun kind wat later thuis brengt vroeger zouden ze misschien alleen aan een ongeluk hebben gedacht. Of als hun kind bij hem op schoot heeft gezeten. Maar bijna ieder kind vindt het leuk om achter een stuur te zitten.'

Groepsleiders van het Kabouterhuis schrikken niet meteen van kinderen die steeds met hun hand in hun broek zitten, ze kunnen ook wormen hebben. Ook niet van kinderen die zeggen: `ik stop m'n piemel in je mond', of die `Dutrouxtje' willen spelen. Orthopedagoog Pim van der Pol: “Ze horen en zien meer dan ze aankunnen, bij hun ouders, op televisie. Dat moeten ze kwijt door te imiteren.'

Best emotioneel

In een zaaltje van het Postiljonhotel in Dordrecht zitten zestien vrouwen en twee mannen aan tafels, multomappen voor zich. Onderwijzers van basisscholen in Dordrecht. Ze doen de cursus die is bedoeld voor vertrouwenspersonen op school. Bij hen komen klachten binnen over vermoedens van seksuele intimidatie of misbruik. Ze moeten ook `preventie-activiteiten' gaan opzetten en voorlichting geven. Hun schoolbestuur vroeg een psycholoog uit Tilburg voor de cursus, die nu overal in Nederland wordt gegeven.

Deze donderdag leren de onderwijzers een `referentiekader te ontwikkelen over contact, intimiteit, seksualiteit en omgaan met grenzen'. Iedere cursist moet een `positieve' of `negatieve' herinnering vertellen waarin een `boodschap' zat verpakt over seksualiteit.

De cursusleidster wil dat de onderwijzers “nadenken over hoe ze zelf zijn gevormd door die boodschappen'. Om ze voor te bereiden op het werk dat ze gaan doen. De cursus moet, vindt ze, onderwijzers steunen in hun `leerproces', bij vragen en twijfels die ze hebben. Een vrouw, midden vijftig, begint. “Een negatieve', waarschuwt ze. “Ik bracht als meisje iedere week de kerkbode rond in ons dorp. Ik kwam bij een oud mannetje die me altijd op schoot trok. Ik was een leuk, klein ding. Eerst vond ik het niet erg, later wel.' Ze pauzeert even. “Ik ben er pas kort geleden achtergekomen dat er in die schuur heel veel is gebeurd.' Haar collega's zeggen niets. De vrouw: “Dat was best emotioneel.'

Cursusleidster Vera Vaillant: “Bedankt, dat je dit met ons hebt willen delen.'

Andere onderwijzers zeggen hoe vervelend het was dat ze van hun ouders zo weinig te weten kwamen over seks. Of ze vertellen over exhibitionisten in bosjes. Een vrouw zegt dat een schilder haar vroeger `voorstellen' deed en dat ze nog jaren bang bleef voor mannen in witte pakken. Een man vertelt dat hij op zijn twintigste nog twee eenpersoonskamers huurde als hij met zijn vriendin op reis ging, maar dat het later toch nog is goedgekomen: hij heeft drie kinderen. En er is een vrouw die zegt: “Ik had een incestervaring. Ik vertelde het toen ik zestien was. Niemand nam het serieus. Daarom wil ik vertrouwenspersoon worden.'

Vera Vaillant sluit af: “We hebben ieder onze eigen ervaring die we op onze eigen manier interpreteren. Een vertrouwenspersoon moet nooit een eigen invulling geven aan de ervaring van een ander.'

Oesterstijl

Dan volgt `een stukje theorie' van ruim twee uur, afgewisseld met oefeningen in de groep.

Het gaat over mensen die mensen nodig hebben zoals planten water en auto's benzine, maar dat mensen ook bang zijn voor elkaar. Over kwetsbaarheid en onkwetsbaarheid, macht en invloed. De cursusleidster laat de onderwijzers vertellen hoe mensen zich van anderen kunnen isoleren door ze te vergelijken met dieren: “Wat zou de oesterstijl zijn?'. Ze praat over gevoelens en behoeftes, omdat vertrouwenspersonen daar mee te maken krijgen. En ze komt uit bij `contact maken' en `seksualiteit': “Dat is: de ander fysiek toelaten, onszelf openstellen, zelf toegelaten worden. Het opheffen van grenzen.' En dan: “Seksueel misbruik is het openbreken van grenzen. Tegen de zin van mensen die het overkomt.'

Een onderwijzeres vraagt: “Maar wie bepaalt die grenzen? Een pedofiel kan bij een kind ook iets doen wat dat kind prettig vindt.'

De cursusleidster: “Onze wet bepaalt de grens.'

De onderwijzeres: “Maar daarom zou het toch kunnen dat een pedofiel iets doet wat een kind prettig vindt?'

De cursusleidster aarzelt. “Misschien kan dat', zegt ze.

“Ja', zegt de onderwijzeres, “ik denk dat dat kan.'

De cursusleidster, nog eens: “De wet bepaalt de grens.'

Na de lunch wil een van de mannelijke deelnemers weten waar al die theorie voor nodig is. Hij wil praktische dingen leren. In de pauze zegt hij tegen de andere mannelijke cursist: “Ik moest zaterdagavond praten met een meisje dat seksueel misbruikt is. Ik dacht: de kans is groot dat ik met dat meisje alleen kom te zitten, ik neem mijn vrouw mee. En ja hoor. Ik was blij dat Joke erbij was, je weet anders nooit wat er later over wordt gezegd.'