Europa heeft een Thorbecke nodig. Juist relatieve buitenstaanders kunnen bestuurlijke verkokering doorbreken

Nu in de paarse Nederlandse verhoudingen ideologische partijtegenstellingen nauwelijks meer bestaan, is er weer ruimte voor een gezonde dosis Thorbecke, oftewel intellectuele onafhankelijkheid in de politiek.

Jan Drentje is ervan overtuigd dat met Thorbecke het technocratische debat over Europa veel inhoudelijker gevoerd zou worden. Een overpeinzing bij het 150-jarig bestaan van Thorbeckes grondwet.

Thorbeckes politieke legaat heeft met het oog op een nadere Europese eenwording bijzonder aantrekkelijke kanten. Zijn natiebeeld was vooral historisch en weinig ideologisch. Wat typisch Nederlands was, moest uit de historische ontwikkeling blijken. Tradities mochten geen rem op noodzakelijke veranderingen betekenen. Staatsvorming bracht hij nadrukkelijk in verband met de algemene Europese politieke ontwikkelingen waarbij Nederland weliswaar op een eigen manier moest aansluiten. De grondwetswijziging van 1848 vond daarom ook inhoudelijk in een Europese context plaats. Een grondwet was bovendien niet voor de eeuwigheid bedoeld. Het feit dat zijn grondwet al honderdvijftig jaar aan onze staat ten grondslag ligt, zou hem wellicht een ironische opmerking over het gebrek aan wetgevend vermogen van latere generaties ontlokken.

Thorbecke was een Europees georienteerd geleerde. Zijn hervormingsvoorstel was geent op een analyse van de algemene Europese ontwikkelingen. Hoewel hij hechtte aan de verscheidenheid in Europa, sprak hij zonder terughoudendheid van een Europese cultuur. Europa moest in zijn visie een eenheid in verscheidenheid blijven, waarbij de eenheid vooral als een geestelijk continuum werd opgevat en de verscheidenheid zich in verschillende staten en culturen uitdrukte. In het organische denken waarvoor de natuur het uitgangspunt vormde, werd juist verscheidenheid als een hogere levensvorm opgevat.

Een Verenigde Staten van Europa vergelijkbaar met de Verenigde Staten van Amerika achtte hij een ijdele droom. Centralisatie in Europa miskende “de splitsing en scheppingen der historie'. Zelfstandigheid sloot samenwerking tussen de Europese staten niet uit. In de gemeenschappelijke strijd tegen Napoleon ontwaarde hij een supranationaal beginsel: de Europese staten streden om het behoud van de Europese verscheidenheid als zodanig.

Thorbecke kon niet weten tot welke ontsporingen het nationalisme in en buiten Europa in de twintigste eeuw nog zou leiden. Zijn politieke conceptie hield geen rekening met de massaliteit en de kracht van het nationalisme als seculier-religieuze emotie. Het grote transformatieproces van agrarisch-ambachtelijke structuren naar industrieel-technologische maatschappijen waar Thorbecke Nederland rijp voor wilde maken doorbrak standenstructuren, plaatselijke en regionale verhoudingen, autoritaire en religieuze bindingen. De moderniteit vond in dat proces lang niet altijd een geschikte liberale bodem om vreedzaam in te wortelen.

Een van de paradoxen van de moderniteit is dat het streven naar beheersing, planning, controle van het leven alleen effectief en duurzaam blijkt bij een zo groot mogelijke individuele vrijheid. Hoewel iedereen op elkaar lijkt, is een besef van eigenheid klaarblijkelijk een noodzakelijke voorwaarde voor een volwassen erkenning van de ander als gelijke. Overheersing of gelijkschakeling van de ander worden daardoor tegengegaan. Gebrek aan eigenheid leidt tot depersonalisatie, Vermassung zielloos consumentisme en in wezen tot angstige, afhankelijke individuen zonder innerlijk houvast. Verlies van eigenheid en creativiteit behoort in Thorbeckes visie zeker ook tot de menselijke en staatkundige mogelijkheden. Wie de verantwoordelijkheid voor zijn eigen leven op zich neemt, accepteert ook maatschappelijke verantwoordelijkheid. Het menszijn heeft daarmee tevens een politiek aspect.

Het stelsel van directe verkiezingen en verantwoordelijke ministers doet een beroep op het oordeelsvermogen van de burger die op velerlei manieren met de staat is verbonden.

De parlementaire democratie veronderstelt een politieke cultuur van burgers die zichzelf en de ander serieus nemen. Nederland kon “het vrijste volk der wereld' zijn als de burger “niet enkel op zijn bijzonder belang lettende, tot het algemeen belang [wilde] medewerken'. Thorbecke wist zelf heel goed dat een heldere staatkundige structuur geen garantie was voor een liberale politieke cultuur: “Niet alleen eene constitutionele regering, maar een constitutioneel volksleven moet ons doel zijn.' Democratische politiek blijft in de steeds veranderende internationale omstandigheden een cultuurdaad van de eerste orde.

Na de verschrikkingen van de poging tot Europese unificatie door Hitler-Duitsland heeft zich in West-Europa de democratie hersteld en hebben de meeste staten zich bereid getoond hun soevereiniteit te matigen. Op een vreedzame wijze zijn tegenstellingen afgenomen en nieuwe verbanden van samenwerking gecreeerd. De nationale staten bleken bovendien ondanks de afnemende betekenis van de soevereiniteit vitale eenheden van sociale en politieke organisatie.

De nieuwe vormen van samenwerking hebben echter tot een uiterst hybride Europese politieke structuur geleid. Europolitiek kan de burger daarom niet boeien, omdat die geheel juist aanvoelt dat de besluitvorming niet in een parlementair proces, maar tussen de regeringsleiders en hun ministers plaatsvindt.

Tussen de lidstaten van de Europese Unie is bovendien een amorfe bestuurslaag met een eigen ambtelijke dynamiek gegroeid. De interne markt is een succesvol project van de Euromanagers. De BV Europa met zijn raad van commissarissen had alleen nog een Europese centrale bank nodig om de financiering van de economische eenwording te regelen.

De Europese Monetaire Unie (EMU) die in 1999 haar beslag krijgt, legt de nationale politiek aan banden en beperkt de bewegingsruimte van regeringen die nauwelijks nog instrumenten in handen hebben om de fricties in de onvoorspelbare economische wereld soepel op te vangen. Daarmee wint het Europese beleid enorm aan belang en wordt het gebrek aan democratische structuur daarvan pijnlijk duidelijk. Een gebudgetteerde soevereiniteit vereist democratische politieke verantwoordelijkheid op Europees niveau. Om Thorbecke te parafraseren: de Europese burgerij had tot hiertoe het besef, dat zij mederegeerde, niet; zonder dit besef evenwel rust de Europese staat niet op `nationale kracht'; en zonder hoog ontwikkelde `nationale' kracht wordt heden ten dage geen staat bewaard. Dat besef wordt door een echte, eenvoudige Vertegenwoordiging, in plaatselijke provinciale, Lands- en Europese regering aan de ingezetenen geschonken.

Deze parafrase maakt meteen het onderliggende probleem duidelijk: er is geen Europees natiebesef. Er is al vaak op gewezen, dat een Europees natiebesef alleen kan ontstaan als gevolg van de opheffing van het natiebesef van de lidstaten, wat niemand alleen al vanwege de taalverschillen echt voor mogelijk houdt. Een eenheidsbesef kan ook moeilijk in een specifiek Europees cultuurideaal wortelen, omdat de meeste Europese waarden onderdeel zijn van de westerse cultuur als geheel.

Wat Europa juist typeert en de burger aanspreekt is zijn relatieve eenheid in verscheidenheid. Van tijd tot tijd zijn er pogingen ondernomen aan die verscheidenheid een einde te maken. Steeds opnieuw bleken die pogingen niet succesvol, want een verarming en onderdrukking van bestaansmogelijkheden.

De huidige Europese economische en monetaire eenwording neemt dan ook een ongedekte wissel op de politieke en culturele toekomst waar de Euromanagers nog geen begin van een visie op hebben ontwikkeld. De op zichzelf positieve relativering van de soevereiniteit van de staat manifest op het gebied van wetgeving, defensie, justitie het territorium tast nu de democratische kwaliteit van de staat zelf aan en dat kan de bedoeling natuurlijk niet zijn.

Wat zich wreekt is een gebrek aan visie op het proces van economische eenwording in een breder cultureel-maatschappelijk en politiek perspectief. Een grotere mate van politieke samenwerking tussen de Europese staten ligt op zichzelf in de lijn van de geschiedenis. Zoals Thorbecke in zijn Over het hedendaagsche staatsburgerschap het politieke beginsel van zijn tijd op het spoor probeerde te komen, is in onze tijd dringend behoefte aan een samenhangende visie op een eigentijds nationaal en Europees staatsburgerschap. Het feit, dat volgens de meeste commentatoren de creatie van een Verenigde Staten van Europa vooral theorie is, duidt in Thorbeckes visie erop dat in de tijd nog onvoldoende uitgekristalliseerd is wat het onderliggende historische beginsel van de Europese eenwording in dit opzicht is: “De tijdigheid eener hervorming hangt in de eerste plaats af van het antwoord op de vraag: is zij genoegzaam voorbereid? Zijn hare voorwaarden aanwezig? Doch zelfs aan deze gaat de hoofdvraag voor of de gedachte waarop de hervorming rust in de natuurlijke orde van ontwikkeling bestemd zij te volgen op die, welke aan den tegenwoordigen toestand ten grondslag ligt.'

Wat in de politiek ook ontbreekt is een meer door de cultuur- en maatschappijwetenschappen gevoede benadering van eigentijdse vragen.

Juist relatieve buitenstaanders kunnen bestuurlijke verkokering doorbreken. Thorbecke kan als hoogleraar in de politiek met zijn terughoudendheid met betrekking tot partijvorming en zijn rationele benadering van de politiek natuurlijk niet in alle opzichten het voorbeeld voor vandaag zijn. Als politicus vertegenwoordigde hij een uiterste, dat echter in iedere politieke cultuur onder andere vanwege het vermogen om onomwonden de kernvragen te stellen en impopulaire standpunten in te nemen van grote waarde is. De huidige praktijk van kartelovereenkomsten tussen partijen die het parlement voor vier jaar willen muilkorven, vormt een ander uiterste.

Het stelsel van directe verkiezingen veronderstelt persoonlijke oordeelsvorming van de volksvertegenwoordigers. Zeker nu ideologische partijtegenstellingen in de paarse Nederlandse verhoudingen grotendeels tot het verleden zijn gaan behoren, ontstaat weer ruimte voor een gezonde dosis Thorbecke oftewel intellectuele onafhankelijkheid in de politiek. Dat vraagt om meer staatsmanschap en minder vreesachtig of dubbelzinnig gedrag van politici die vooral met Europa op de nationale electorale markt willen scoren en daarmee iedere vorm van Europees bewustzijn in de ogen van de kiezers ongeloofwaardig maken.

Thorbecke bracht zijn wetenschappelijke denken vanzelfsprekend met zijn politieke discours in verband. Historici stellen zich aan het eind van de twintigste eeuw in de regel terughoudend op. Op die manier wordt de maatschappelijke discussie eenzijdig aan de projectontwikkelaars overgelaten en marginaliseert de maatschappelijke betekenis van de geschiedenis. De waarde van de geschiedwetenschap ligt op zichzelf natuurlijk niet in de relevantie voor de actualiteit, maar juist de historische dimensie kan de dwang van de actualiteit matigen en daardoor ruimte voor cultuurvorming en prudentia scheppen.

Gebrek aan visie op een meervoudige Europese eenwording, gebrek aan politiek leiderschap op Europees niveau, gebrek aan bezinning op de culturele dimensie van een pluriform Europa maken dat het Euroscepticisme toeneemt. Terwijl in Eurokringen het denken over een federaal Europa lijkt te zijn stopgezet, wordt impliciet een quasi-federaal financieel-economisch beleid met de muntunie afgedwongen. De eenheidsmunt kan daardoor onbedoeld tot nationalistische spanningen leiden als er voor lidstaten of aspirant-lidstaten negatieve consequenties uit de macro-economische Europolitiek voortvloeien. Dat de natiestaten nog steeds het innerlijke leven van Europa bepalen wordt bovendien geillustreerd door de onmogelijkheid om tot een gezamenlijk buitenlands beleid te komen. Als de muntunie tijdelijk strijdig met het nationale belang is, kan dit daarom nog tot merkwaardige taferelen rond de conferentietafels leiden.

Om nationalistische spanningen te vermijden kozen Monnet en Schumann in de jaren vijftig voor de pragmatiek van de stapsgewijze economische eenwording. De muntunie kan als een volgende stap gezien worden. Aan hun pragmatisme lag echter een vorm van federaal Euro-idealisme op de lange termijn ten grondslag. Het huidige Nederlandse buitenlandse beleid in Europa wordt ook door een pragmatische stap-voor-stap benadering gekenmerkt. Deze benadering suggereert echter dat men ergens naar op weg is.

Pragmatische politiek zonder visie was niet aan Thorbecke besteed: “Indien gij u geen ideaal voorstelt, dan berust gij als de onbeschaafde in de feiten, zooals zij zich aanbieden. Elke verbetering wordt aan een ideaal ontleend ... Elke tijd heeft zijn ideaal. Hij die daaruit put om daar van zijne werkzaamheid te bezielen, vervult, zoo hij de voorwaarden en de middelen weet te vatten, voor zijn deel de taak van zijner leeftijd, en bereidt den volgenden voor.'

Hervorming kwam in Thorbeckes ogen aan op een juiste timing. De tijd moest er rijp voor zijn, al kon een schok een vastgelopen zaak soms weer op gang helpen. Bovendien moest in een hervorming op de samenhang tussen de verschillende maatschappelijke en politieke aspecten worden gelet. Aangezien een nieuwe Europese politieke structuur nog niet in zicht is en democratische verhoudingen alleen binnen de natiestaten gelden is de logische Thorbeckeaanse conclusie dat de essentiele besluitvorming over de financieel-economische politiek voorlopig nog binnen de natiestaten moet blijven plaatsvinden. De snelle financieel-economische eenwording vindt onvoldoende in samenhang met de politiek-culturele structuur van de Europese staten plaats en is daardoor een potentieel gevaar voor het draagvlak van de natiestaat. De democratische kwaliteit van het bestuur wordt er tevens verder door aangetast.

Europese staatsvorming kan alleen succesvol zijn als de eigenheid en de relatieve zelfstandigheid van de deelnemende staten daarin voldoende gewaarborgd zijn. Ervaring en waardering van eigenheid maakt een open houding ten opzichte van de ander mogelijk en voorkomt nationalistische en ondemocratische reflexen. De creatie van een Eureconomia mist dan ook het contact met de politieke en culturele dimensies van het historische Europa. Thorbecke, die de snelle economische ontwikkelingen als een voldongen historisch feit accepteerde, zou misschien in de creatie van de Europese Monetaire Unie een schok zien die het politieke denken over het Europa van de eenentwintigste eeuw in beweging zou kunnen brengen. Aan de politici blijft immers de taak “met de EMU te leven en haar te regelen'.