Een zucht van verlichting

De universitaire bestuurderen hebben in het begin van de maand een zucht van verlichting geslaakt die bijna voldoende was om de daken van de burelen te blazen.

Nadat de kersverse minister van OC en W was aangetreden met de verbijsterende belofte dat hij rust in de tent zou brengen en geen grootscheepse nieuwigheden wilde, nam hij het besluit de door zijn voorganger aangekondigde overheveling van driehonderd miljoen van de universiteiten naar NWO geen doorgang te laten vinden.

Blijkbaar was hij overtuigd door de betogen van de VSNU en van alle universiteiten afzonderlijk dat zij een dergelijke aanslag op hun budget niet zouden kunnen overleven naast alle andere bezuinigingen op hun begroting. Die zal de minister, zo heeft hij immers herhaaldelijk beklemtoond, onverkort handhaven.

De vraag is natuurlijk of we bij het afblazen van de aangekondigde overheveling van middelen van de universiteiten naar NWO wel zo opgelucht moeten wezen. Hebben we hier te maken met een volstrekt incidentele ingreep van de nieuwe minister of is er sprake van een principiele wijziging in het beleid ten aanzien van de sturing van wetenschappelijk onderzoek? Gooit de minister voor het ogenblik de handdoek in de ring om tijd te winnen (om eventueel na de realisatie van de lopende bezuinigingen opnieuw de overheveling aan de orde te stellen), of gelooft hij de universitaire bestuurderen op hun woord dat zij minstens zo goed als NWO in staat zijn om prioriteiten en posterioriteiten te stellen in het onderzoeksbeleid?

Nu valt er natuurlijk veel voor te zeggen dat de universitaire bestuurderen - colleges van bestuur, decanen, directeuren van onderzoekscholen en onderzoeksinstituten - dat minstens zo goed kunnen als de bestuurderen binnen NWO want het zijn grotendeels dezelfde poppetjes die de beoordelingen verrichten en de beslissingen nemen. Het sterke punt van NWO is niet gelegen in de personen die de beoordelingen verrichten maar in het nationale karakter van de door NWO georganiseerde competitie. Afgezien van de eigen instituten heeft NWO bovendien niet de zorg voor eigen personeel in vaste dienst, en ook dat maakt het maken van keuzes een stuk eenvoudiger.

Wie de kwaliteit van het wetenschappelijk onderzoek in Nederland wil verhogen moet NWO, ondanks alle kritiek, dan ook een goed hart toedragen en zeker het budget van NWO willen verhogen. De minister mag NWO dan ook niet vergeten wanneer er in het kabinet nog eens meevallers zijn te verdelen. Maar helaas, in de eerstkomende kabinetsperiode zouden die verhoopte meevallers bij de huidige ontwikkelingen in de economie nog wel eens tegen kunnen vallen. Voorlopig zijn de beloften van de minister over de besteding van eventuele meevallers dan ook weinig meer dan een comateuze mus. Ik zou echter pas echt gelukkig zijn over de beslissing van de minister om de genoemde driehonderd miljoen niet van de universiteiten over te hevelen naar NWO als ik zou weten dat ze ingegeven zou zijn door een hernieuwd vertrouwen in het zelfsturend vermogen van het wetenschappelijk onderzoek. In de afgelopen jaren heeft het Ministerie van OC en W onder het motto `meer naar minder` op verschillende manieren geprobeerd een ingrijpende herschikking te bewerkstelligen van de middelen voor onderzoek. Eerst was er de voorwaardelijke financiering, toen kwamen de onderzoeksscholen, en de meest recente poging was de diepte- en breedtestrategie.

Het onuitgesproken uitgangspunt was steeds dat er in Nederland veel te veel middelmatig en slecht onderzoek werd uitgevoerd, en dat daardoor het schaarse goede, excellente, eminente, profielbepalende onderzoek onvoldoende werd gefinancierd. Er was geld genoeg voor onderzoek in deze visie maar ten gevolge van de door de universitaire bestuurderen gedoogde verdelende rechtvaardigheid werd het te dik uitgesmeerd over een veel te grote meute van middelmatigheden. Als er nu maar voldoende geld werd weggehaald bij al die wetenschappelijke nonvaleurs en als dat maar vervolgens in gigantische bedragen ter beschikking zou worden gesteld aan die enkele geniale geleerden en de door hen geleide onderzoeksgroepen dan zou daar kwantiteit automatisch omslaan in kwaliteit en zou het Nederlandse onderzoek plotseling een leidende rol spelen in de wereldtop.

Nederland gidsland, maar dan in de wetenschap.

Natuurlijk is de ene onderzoeker beter dan de ander. Mijn eigen faculteit de faculteit der letteren van de Universiteit Leiden, heeft zelfs twee Spinoza-prijswinnaars in huis. Maar dat betekent natuurlijk niet dat wanneer er twee of meer onderzoekers met kop en schouders (of hun kuifje) boven de collega's uitsteken, die collega's dan meteen worden gereduceerd tot wetenschappelijk dwergen en kabouters, kobolden en gnomen. Zelfs Nobel-prijswinnaars winnen hun prijs nog maar zelden alleen. Zo gaat het in alle faculteiten en wetenschapsgebieden en dat wordt ook telkens weer bevestigd door alle visitaties en beoordelingscommissies. In vele gebieden is het toepasselijke beeld niet dat van alpentoppen boven diepe ravijnen maar van duinen op een hoogvlakte die zich nu eens hier en dan weer daar bevinden.

Dat laatste heeft alles te maken met het grote zelfsturende vermogen van de wetenschap. Een beetje onderzoeker of onderzoeksgroep is voortdurend op zoek naar de meest geschikte niche voor zijn of haar eigen onderzoek. De in de loop der jaren opgebouwde expertise, de plaatselijk aanwezige infrastructuur en toevallig aanwezig aanstormend talent spelen bij de keuze voor nieuwe themata al evenzeer een rol als de laatste ontwikkelingen op het vakgebied en de maatschappelijke omstandigheden. Dat leidt tot voortdurende snelle en onvoorspelbare verschuivingen in het onderzoekslandschap. In de praktijk worden jaarlijks op verschillende niveaus duizenden zo niet tienduizenden beslissingen genomen waarbijveelbelovend onderzoek wordt gesteund ten koste van minder veelbelovend onderzoek.

Bij de huidige stand van de wetenschap leidt dat ook tot een steeds verdergaande specialisatie, waardoor een internationaal erkend expert op zijn of haar eigen vakgebied een grijze muis kan zijn in de ogen van een collega drie deuren verder in de gang.

Natuurlijk kan men enige tijd na dato goede groepen opspeuren door technieken als citatie-analyse, maar helaas laat kwaliteit zich niet altijd zo eenvoudig reduceren tot kwantiteit.

Waar de wetenschappelijke noodzaak bestaat van grotere verbanden en grotere investeringen, zullen door het zelfsturend vermogen van de wetenschap de betrokken wetenschappers niet aarzelen om de omvang van hun behoeften luid en duidelijk onder de aandacht te brengen van bestuurderen binnen of buiten de eigen instelling. Die behoeften liggen, dat is bekend voor de verschillende wetenschapsgebieden sterk uiteen. Voor de kosten van een paar metingen in het ene vakgebied beschrijft een jonge taalkundige een nog onbeschreven taal. Een beleid dat vertrouwen stelt in het zelfsturend vermogen van de wetenschap zou rekening moeten houden met die zeer uiteenlopende behoeften.

Men kan zich maar moeilijk aan de indruk onttrekken dat in de afgelopen jaren het wetenschapsbeleid van OC en W vooral geworteld is geweest in een diep wantrouwen jegens het zelfsturend vermogen van de wetenschap en een groot geloof in het sturend vermogen van het departement zelf - zonder dat het departement nu altijd wist (of kon weten) in welke richtingen er dan gestuurd moest worden. Ook de bestuurderen bij NWO en in de universiteiten weten natuurlijk nooit of zelden in welke richting er dan wel gestuurd moet worden, tenzij de onderzoekers zelf luid en duidelijk de richting aangegeven.

Het is al een hele prestatie wanneer zij dat onderzoek in goede banen kunnen leiden door het bieden van de juiste faciliteiten in voldoende omvang. De prioriteiten en posterioriteiten stellen zich zelf, zodat het onderzoekslandschap vrijwel elke tien jaar onherkenbaar is veranderd.

Persoonlijk ken ik geen enkele onderzoeker die nu nog hetzelfde doet als een paar jaar geleden, maar misschien ligt dat wel aan mijn beperkte kennissenkring.

Nederland is een land van kruideniers. Dan moet het in ons land ook het grootste ideaal voor een minister (of welke bestuurder dan ook) zijn om goed op de winkel te passen. Maar in een winkel is de klant koning. Die klanten zouden wel eens beter kunnen weten dan de kruidenier wat ze echt nodig hebbenen in welke hoeveelheid. En het maakt ze waarschijnlijk weinig uit of ze hun boodschappen halen bij de baas zelf, het vaste personeel of de weekendhulp. Maar een winkel met steeds legere schappen is natuurlijk wel het laatste waar ze op zitten te wachten.