Dooie kastjes

In Parijs gingen deze week honderdduizenden scholieren de straat op om beter onderwijs te eisen, en tachtig procent van de Fransen staat achter hen. Het Franse onderwijs is uitgekleed, afgeknepen en hopeloos verouderd. Kleinere klassen, meer middelen, en vooral meer computers moeten er komen. Ook al wordt Den Haag er niet om geplunderd, ook in Nederland hoor je de roep om `meer computers in de klas' geregeld opklinken. In de `informatiemaatschappij van de 21ste eeuw', zo gaat meestal de redenering, is een vlotte beheersing van de computer onontbeerlijk. Dat is een onzinnige gedachtengang, waaraan louter misvattingen ten gronde liggen.

De eerste vergissing is de impliciete gelijkstelling van omgaan met de computer met een vaardigheid als schrijven. Schrijven is een complexe motorische vaardigheid, die je voor een goed resultaat jong moet aanleren door intensieve en langdurige training. Schrijfonderwijs begint niet voor niets in groep drie. Maar het bedienen van een computer stelt zulke fysieke eisen helemaal niet. Hoogstens stelt de omgang met programma's mentale eisen, waaraan soms twintig- of dertigjarigen beter voldoen dan derdegroepers. De tweede fout is dat `computers' gelijkgesteld worden aan PC's, terwijl PC's weliswaar opvallend aanwezig zijn, maar slechts een zijtak van de computerfamilie vormen. Eentje die bovendien niet het eeuwige leven heeft. De Heer alleen weet wat voor apparaat over pakweg twintig jaar de plaats van de PC zal hebben ingenomen, en hoe we daarmee om zullen gaan. Monomane training in PC-gebruik kan er gemakkelijk toe leiden dat we straks iedereen hebben opgeleid tot schoonschrijver met de elektronische ganzeveer, terwijl die tegen de tijd dat het geleerde in de praktijk gebracht moet worden volledig verdrongen blijkt door de cybernetische schrijfmachine.

Maar de grootste fout is wel dat beleidsmakers en andere voorstanders van de computer in de school bij `computers' steevast enkel blijken te denken aan dooie grijze kastjes met een beeldscherm erop, terwijl alles draait om wat je ermee kunt doen. Om software. Zonder programma's is een PC maar een lelijk bijzettafeltje, een mainframe, een monument van onvermogen. Kortom, wie praat over computers in de klas, praat over educatieve software. Zelf alleen maar `leren omgaan met de computer' vereist een programma dat de leerling daartoe in staat stelt en motiveert.

Met die educatieve software is het droef gesteld. Er komt weinig van de grond, en wat er is wordt weinig gebruikt. Dat is zelfs zo in het veronderstelde computermekka Amerika, blijkens een artikel van Elliot Soloway, directielid van het Center for Highly-Interactive Computing in Education van de universiteit van Michigan in het vakblad `Communications of the ACM' (Association for Computing Machinery), dat een bezorgde lezer mij toezond. Oppervlakkig bezien is het kennelijke gebrek aan animo voor de ontwikkeling en het gebruik van educatie software een centenkwestie. Geen uitgever of software-ontwikkelaar investeert een fortuin in een of ander kunststuk zonder uitzicht op voldoende verkoop. De verdienste van Soloway is dat hij de diepere oorzaken op een rijtje zet.

Ten eerste zijn standaard-computermiddelen niet altijd geschikt voor schoolgebruik. Je hebt weinig aan drie fraaie cd-ROM's en één computer, als een hele klas ermee moet werken. Ten tweede gebruikt geen leraar software die niet naadloos aansluit bij de leermethode die hij gebruikt. Ten derde hebben scholen een ratjetoe aan computers staan: Apple-tjes, moderne Windows-machines, en ouderwetse 16-bits Windows apparaten (zeg maar alles waar geen Pentium of kloon daarvan inzit). Daardoor draait het gros van de producten altijd maar op een deel van de aanwezige machines, en zijn ze onbruikbaar.

Nu stellen in Amerika de staten de leermiddelen vast. Dat maakt software-ontwikkeling heel riskant. Immers, wordt de lesmethode waar je bij aansluit niet uitverkoren, dan heb je pech gehad en verkoop je niets. Juist in Nederland, waar de scholen ieder voor zich bepalen wat er in de klas komt, liggen de kansen beter. Er zijn heel veel partijen met een stukje marktaandeel, zodat je bijna nooit helemaal buiten de boot zult vallen. Als oplossing voor het probleem van de verschillende computers stelt Soloway, schoorvoetend, de platform-onafhankelijke programmeertaal Java voor. En terecht. Niet alleen is er geen serieus alternatief, ook draaien Java-toepassingen, mits zo opgezet dat ze binnen een browser werken, zelfs op de oude 16-bits machines. De browser, zeg Netscape, werkt dan eigenlijk als een 32-bits computer binnen een oude 16-bits-bak. Alleen voor centraal opgeslagen gegevens is een moderne machine nodig.

Maar Java heeft meer voordelen. Het is bij uitstek geschikt voor situaties waarbij veel mensen tegelijk met dezelfde gegevens werken. Bovendien denkt de Java-programmeur in objecten. Kleine, vrijwel onafhankelijke programmaatjes, waaruit je een groter geheel samenstelt. Zulke objecten kun je, net als Legostenen, in heel verschillende programma's telkens opnieuw gebruiken. Dat drukt de ontwikkelkosten aanzienlijk, mits er een voor de hele educatieve wereld toegankelijke bibliotheek of bank is, die eenmaal ontwikkelde Legostenen beheert en toegankelijk maakt, de kwaliteit bewaakt en zorgt dat de betaling van gebruiksrechten netjes wordt afgewikkeld.

Als het Nederland ernst is met computers in de klas, dan moet de overheid eerst zekerheid en duidelijkheid scheppen voor de softwaremakers. Bijvoorbeeld door een praktische technische standaard te ontwikkelen, waarbinnen platform-onafhankelijkheid een centrale eis zal zijn. Verder zou Den Haag zo'n objectenbank moeten (laten) opzetten en runnen. Mits het allemaal helder, simpel en flexibel genoeg blijft, geeft zoiets het nu nog ontbrekende vertrouwen dat voor investeringen in educatieve software nodig is. Gebeurt dat goed, dan wordt educatieve software nog een lucratief exportproduct.

Maar ja, het zal wel bij dromen blijven. Efficiëntie en praktische daadkracht waren immers nooit de sterke kanten van de onderwijsbunker in Zoetermeer.