De herfst van de patriarch

Gabriel Garcia Marquez woonde in de jaren vijftig in behoeftige omstandigheden op de zevende verdieping van Hotel de Flandre in de Parijse Rue Cujas.

De Colombiaanse krant El Espectador waarvoor hij correspondent was, stuurde af en toe een cheque, maar nadat dictator Rojas Pinilla de krant verbood, was dat afgelopen. Op zijn ijskoude zolderkamertje schreef hij in die tijd met zijn knieen tegen de verwarming Het kwade uur en De kolonel krijgt nooit post. Op een avond - misschien had hij behoefte aan wat aanspraak - stak hij zijn hoofd uit zijn raam met uitzicht over het Quartier Latin, en brulde: `De dictator is dood'. Overal gingen lichten aan en werden ramen opengegooid. Latijns-Amerikaanse ballingen van allerlei nationaliteiten renden juichend de straat op. Allemaal dachten ze dat hun dictator het loodje had gelegd.

In 1958 beleefde hij zoiets in het echt. Staande op een balkonnetje in Caracas, zag hij het vliegtuig overvliegen waarmee de Venezuelaanse dictator Perez Jimenez het land uitvluchtte. Een koffertje met elf miljoen dollar had zijn adjudant in paniek achtergelaten onder aan de touwladder waarmee ze in het vliegtuig waren geklommen. Marquez beschrijft (in De geur van guave door Plinio Mendoza) hoe het nieuws van de vlucht werd ontvangen. Een voor een gingen de lampen in de huizen van Caracas aan als de kaarsjes in een kerstboom. Daarna kwam het delirium. Claxons geschreeuw, fabriekssirenes, mensen die met vlaggetjes zaten te zwaaien in auto's en vrachtwagens. Vlak voordat het gebouw van de binnenlandse veiligheidsdienst in vlammen opging, had de menigte de politieke gevangenen die daar zaten, op de schouders genomen en naar buiten gedragen. `Dat was de eerste keer', vertelde Marquez, `dat wij de val van een dictator in Latijns Amerika zagen.'

Bij die gelegenheid vatte de schrijver het plan op voor De herfst van de patriarch, met als hoofdpersoon een synthese van alle Latijns-Amerikaanse dictators: potentaten die meestal als oude mannen stierven in hun eigen bed, of de benen namen, maar nooit werden veroordeeld. Ter voorbereiding las hij biografieen van beruchte machthebbers, de een nog geschifter dan de ander. Doctor Francia van Paraguay gaf bevel dat alle mannen boven de 21 moesten trouwen. Hernandez Martinez van El Salvador was theosoof en liet alle straatlantarens in het land omwikkelen met rood papier ter bestrijding van een mazelenepidemie. `Papa Doc' van Haiti liet alle zwarte honden in het land afmaken, want een van zijn vijanden zou zich in een hond hebben veranderd om niet te worden opgepakt en vermoord.

Gomez van Venezuela liet zijn dood afkondigen om daarna te kunnen herrijzen precies wat ook gebeurt in De herfst van de patriarch.

Een ander prototype was de bloeddorstige mafiazetbaas Batista van Cuba, die door Fidel Castro en de zijnen verdreven is. Inmiddels beleeft ook Castro zijn `herfst van de patriarch'. Hij heeft laten weten de arrestatie van Pinochet `moreel juist, maar juridisch twijfelachtig' te vinden. Dan denk je onmiddellijk dat hij zelf nattigheid voelt, want ook Castro heeft zich ontpopt als tiran en schender van de mensenrechten. Wat zou het geweldig zijn als dictators, Castro incluis, zich nooit en nergens meer veilig kunnen voelen. Alleen al om die reden hoop ik dat Pinochet daadwerkelijk berecht wordt. Als dat lukt, is het een precedent met verstrekkende consequenties. De gedachte dat ook dictators rekening moeten houden met vergelding, kan een preventieve werking hebben. Draait niet het hele strafrecht om vergelding en preventie?

Intussen vraag ik me af of Marquez - die altijd met Castro bevriend is gebleven - zondag weer zijn hoofd uit het raam heeft gestoken, nu met de kreet `De dictator is gepakt'. Ik moest aan het verhaal uit zijn Parijse tijd denken toen ik in Trouw boven een interview met een in Nederland wonende Chileense balling de kop `Ana, Ana! Pinochet is gepakt!' zag staan. Blijdschap en ongeloof. Ook bij mij, want het mag vreemd klinken, maar Pinochet was ook een beetje mijn dictator en die van veel Nederlanders. Juist hier is geweldig met Chili meegeleefd, eerst met het aan flarden geschoten experiment van Allende met een democratisch socialisme, daarna met de slachtoffers van de terreur van Pinochet. Honderden van hen zijn dankzij het kabinet-Den Uyl in Nederland opgevangen.

Nooit zal ik 11 september 1973 vergeten, toen Allende zijn eigenhandige verdediging van het presidentiele Monacadapaleis met de dood moest bekopen. De woede en teleurstelling van die dag zijn me altijd bijgebleven. Als secretaris buitenland van de Amsterdamse studentenvakbond ASVA belde ik met de toenmalige minister van Ontwikkelingssamenwerking, Jan Pronk, om hem te vragen op een protestmanifestatie tegen Pinochet te spreken, samen met onder anderen Marcus Bakker. Eerst weigerde hij, maar toen de volgende dagen begon door te dringen wat er in Chili met socialisten, communisten en andere aanhangers van Allende gebeurde, kwam hij daarvan terug. Er waren minstens tienduizend demonstranten op de been, allemaal diep aangeslagen.

Sindsdien is jarenlang op elke elfde september door het Chili Comite een protestmanifestatie gehouden. Anderhalve maand geleden gebeurde dat opnieuw om te herdenken wat 25 jaar geleden is gebeurd. In het Utrechtse Muziekcentrum Vredenburg werd Canto General van de Chileense communistische dichter en Nobelprijswinnaar Pablo Neruda uitgevoerd op muziek van Mikis Theodorakis. De huidige minister Evelien Herfkens hield een toespraak. Nu pas voelde zij zich weer in Nederland thuis, vertelde ze, bij de mensen die zo intensief met Chili hadden meegeleefd.

Zelf was ze erbij geweest toen in 1990 in het stadion van Santiago - hetzelfde stadion waar Pinochet in 1973 zijn tegenstanders bijeen had laten drijven en waar het martelen en moorden was begonnen - de machtsoverdracht aan een burgerregering werd gevierd. Het tafereel dat zij beschreef, leek in niets op Caracas 1958. Er was wel feest, maar vooral ook rouw; op het uitslagenbord verschenen urenlang de namen van mensen die nog altijd vermist zijn of door Pinochet vermoord.