BROEDENDE KOOLMEES TREKT ZICH NIETS AAN VAN RUPSENPIEK

Koolmezen op de Veluwe dreigen de dupe te worden van de klimaatverandering op aarde. Van nature kienen zij hun eileg precies zo uit, dat de periode waarin de kuikens het meeste voedsel nodig hebben samenvalt met een enorm aanbod van jonge rupsen in de natuur.

Vooral rupsen van de wintervlinder die zich voedt met eikenblad, verdwijnen massaal in de hongerige snaveltjes. Maar de afgelopen 25 jaar zijn de lentes geleidelijk warmer geworden en daardoor lopen ook de eikenbomen steeds vroeger uit.

De rupsenpiek valt nu gemiddeld 9 dagen vroeger. Anders dan veel andere vogelsoorten, is de koolmees (Parus major) echter niet vroeger gaan broeden. Daardoor komen de jonge koolmezen tegenwoordig te laat uit het ei om nog optimaal te profiteren van het beste voedselaanbod in de natuur. Dat berichten onderzoekers van het Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek (NIOO) in Heteren in een publicatie in de Proceedings of the Royal Society van 7 oktober. Hun resultaten zijn overigens in tegenspraak met die van Britse onderzoekers die vorig jaar in Nature (388, pag. 526) meldden dat de Engelse koolmezen tussen 1990 en 1997 wel vroeger zijn gaan broeden.

De NIOO-onderzoekers hebben 23 jaar lang een populatie koolmezen gevolgd, verspreid over 400 nestkasten op de Hoge Veluwe. In die tijd is vooral de periode half april tot half mei warmer geworden. De koolmezen echter hebben hun legdatum niet structureel vervroegd, zij produceren hun eerste legsel nog altijd vanaf 1 april. De onderzoekers vermoeden dat dit te maken heeft met het feit dat koolmezen in de periode rond de eileg hun voedsel voornamelijk op lariksen en berken zoeken.

Deze bomen zijn minder temperatuursafhankelijk en lopen niet eerder uit dan vroeger. Daardoor ontvangen de koolmezen geen signalen dat ze voortaan meer haast moeten maken met de eileg, zo speculeren de onderzoekers. Of misschien ontvangen ze die signalen wel, maar zijn ze niet in staat om vroeger aan de leg te gaan, omdat ze daarvoor eerst zelf een goede conditie en voldoende energiereserves moeten opbouwen.

Van nature bestaat er wel een zekere spreiding in legdata en zoals te verwachten was blijken mezenpaartjes die relatief vroeg aan de leg gaan, tegenwoordig meer voortplantingssucces te hebben dan later broedende soortgenoten.

Opmerkelijk is ook dat de eieren in dit onderzoek tegenwoordig twee dagen eerder blijken uit te komen dan vroeger, namelijk na 21 in plaats van 23 dagen.

Volgens NIOO-onderzoeker dr. Marcel Visser is nog te weinig bekend over de vraag welke signalen de koolmezen precies gebruiken om het moment van voortplanting optimaal af te stemmen op het seizoen. Daglengte is een belangrijk signaal, maar aangezien de daglengte elk jaar hetzelfde verloopt valt daaraan geen extra vroeg voorjaar te herkennen. Temperatuur speelt ongetwijfeld ook een grote rol, maar in de periode van eileg (1 maart tot 15 april) is het tegenwoordig niet warmer dan vroeger. Welke andere signalen van belang zijn voor de `fijnregeling' van het broedseizoen is onderwerp van nader onderzoek op het NIOO. Een signaal voor de mens zou volgens Visser in elk geval moeten zijn dat klimaatsveranderingen op aarde de gang van zaken in de natuur grondig kunnen ontwrichten.