Verrassende `kortfilms'; Belgische film heeft geen reden voor een minderwaardigheidscomplex

Belgische filmmakers kijken met afgunst naar de mogelijkheden om in Nederland het ambacht van filmmaker te leren. Toch is daar, gezien de recent verschenen Belgische films, weinig reden toe. Dat bleek op het Internationale Filmfestival van Vlaanderen in Gent.

De hele Belgische filmwereld past zonder veel problemen in een brasserie, als tijdens het Internationale Filmfestival van Vlaanderen in Gent de jaarlijkse Joseph Plateauprijzen worden uitgereikt voor de beste nationale filmprestaties. Er zijn overeenkomsten met onze Gouden Kalveren maar meer verschillen. In Vlaanderen zijn nog maar twee speelfilmproducenten die er toe doen, Dirk Impens en Antonino Lombardo en die dus dikke sigaren roken. Er wordt veel geklaagd, over de verdeling van de prijzen (er gingen er drie, voor beste film, regie en actrice naar Le bal masque van buitenstaander Julien Vrebos, een gestileerde thriller gebaseerd op de geschiedenis van de Bende van Nijvel), de procedure bij de toekenning, en over de geringe steun van de overheid aan de filmproductie. Ook de commissies die over de subsidies beslissen staan niet in erg hoog aanzien bij de makers, zodat sommigen, bij voorbeeld Guido Henderickx voor zijn low-budgetfilm S, besluiten geheel onafhankelijk van subsidies een film te maken.

Al die geluiden klinken ons Nederlanders bekend in de oren. Maar wie tijdens een bezoek aan het Gentse filmfestival, dat producties uit de hele wereld vertoont besluit voornamelijk recente Belgische films te bekijken, komt voor verrassingen te staan. Het aanbod is gevarieerd en onorthodox, als een wilde bloemenwei die niet aangeharkt is door de middelpuntzoekende kracht van omroepdramaturgen, in Nederland steeds meer van doorslaggevende betekenis bij de totstandkoming van bioscoopfilms.

Een enkele film is van internationaal hoog niveau (Rosie, het debuut van de 31-jarige Patrice Toye), de meeste zijn interessant, authentiek en laten een eigen stem horen.

Veel Belgische filmmakers kijken juist met enige afgunst naar de mogelijkheden om in Nederland in televisiedrama het ambacht van filmmaker te leren.

Sommigen beproeven dan ook hun geluk in Amsterdam, zoals de dit jaar met een Gouden Kalf (voor een aflevering in de serie De zeven deugden) onderscheiden regisseur Arno Dierickx scenariste Ilse Somers, die een van de zes zogeheten Telefilms gaat regisseren en twee jaar geleden Patrice Toye, die een aflevering uit de serie VPRO Lolamoviola maakte. Daar staat weer tegenover dat de traditie om korte speelfilms te maken in Belgie nog springlevend is en dat veel technische vaklieden door mee te doen aan `kortfilms' min of meer permanent aan het werk kunnen blijven.

Sprookje

In korte films verdienden ook Toye en haar vaste Nederlandse cameraman Richard van Oosterhout hun sporen. Rosie, al met succes vertoond op verschillende buitenlandse festivals en op de nominatie voor deelname aan de Rotterdamse Tiger-competite volgend jaar, had met iets meer durf en zelfvertrouwen gemakkelijk het hoofdprogramma van Cannes of Venetie kunnen halen. Het door Toye zelf geschreven verhaal over een dertienjarig meisje op een tuchtschool onthult in flashbacks stukje bij beetje wat voor `heel ergs' ze gedaan heeft. Laconiek jongleert Toye met fantasiebeelden en aan haar grote voorbeeld Ken Loach herinnerend sociaal-realisme. Het resultaat is een wreed en teder sprookje, dat net iets te vaak uitlegt wat de kijker zelf al begrepen had. Het lijkt wel of Toye nog niet vertrouwt op haar grote talent, vooral in het ontlokken van intense acteerprestaties aan ervaren en onervaren acteurs. De titelrol van de dertienjarige Aranka Coppens is een klein wonder, dat universeel bewondering zal wekken.

Is Rosie gesitueerd in een fictieve volkswijk van Antwerpen met lege straten, die naar Noord-Engelse steden zijn vernoemd, de speelfilm Pieces d'identites is diep geworteld in de Brusselse realiteit.

De Congolese regisseur, scenarist en producent Mweze Ngangura (58) confronteert in zijn wijze en genuanceerde satire een Congolese koning met de restanten van de Belgische koloniale erfenis. In Brussel gaat koning Mani Kongo (Gerard Essomba) op zoek naar zijn verdwenen dochter, die op achtjarige leeftijd vertrok naar een nonnenschool om te gaan studeren en al bijna twintig jaar niets van zich heeft laten horen. Hij ontdekt dat die stad in niets meer lijkt op de gastvrije metropool waar hij in een delegatie veertig jaar geleden de Wereldtentoonstelling bezocht. Ngangura toont ons niet alleen de paradoxen van de Afrikaanse gemeenschap in Brussel, maar ook een ex-koloniaal (Herbert Flack) die als politie-inspecteur nog steeds een netwerk van corruptie bestiert, en de vrijstaat van de Marollen, waar Vlaamse Brusselaars hun eigen koninkrijkje in stand houden. Een zo rijke en cliches schuwende speelfilm is in Nederland nog niet gemaakt over Surinamers in De Pijp.

Intrigerend is ook de stramme komedie La danse des esprits van Manuel Poutte over de geloofstwijfels van een priester. Gefilmd in het vlakke perspectief van een middeleeuws schilderij, dat een hoofdrol speelt in de vertelling, laat scenarist-regisseur Poutte de pastoor de werkelijkheid achter een wonder ontdekken, en de redenen waarom de behoefte aan wonderen nog levensgroot is.

Woede

Ook de Belgische filmwereld kent haar agenten-provocateurs, gevreesd door de gevestigde orde. De premiere van de nieuwe film van Jan Bucquoy, Fermeture de l'usine Renault a Vilvorde vond in Gent plaats op een namiddag in het kleinste festivalzaaltje. Bucquoy moest de film over de staking tegen de sluiting van de Vlaamse Renaultfabriek grotendeels in het Frans laten spreken, omdat alleen in Wallonie en Frankrijk financiering te halen viel.

“Daar bestaat tenminste nog enige affiniteit met de traditie van de arbeidersstrijd' lichtte de anarchist toe, waarop hij een sneer naar `de bourgeoisie in de fascistische stad Gent' liet volgen. Dit soort sarcastische woede kenmerkt ook de toon van de agitpropdocumentaire, die zich bedient van sinds Godard zelden meer beproefde montage-demagogie. Als de fabriek werkelijk sluit, belt Bucqouy in Parijs aan bij topman Louis Schweitzer en fingeert diens ontvoering. Bucquoy vermoordt de industrieel zoals de Rote Armee Fraktion Hans Martinn Schleyer doodde en monteert vervolgens door elkaar heen beelden van marcherende stakers, fragmenten uit Eisensteins Oktober en van rouwende staatshoofden bij de begrafenis van koning Boudewijn. Het aardige van Bucquoy is dat hij zich volledig bewust is van zijn positie als Don Quichot. Hij presenteert zijn film als slot van het drieluik La vie sexuelle des Belges en lardeert het politieke betoog met bedscenes van hemzelf en zijn cameravrouw-editor Nathalie Sartiaux: hij draagt een masker van Kuifje, zij van Bobby. Elke politieke satraap die in Bucquoy's provocatie trapt, zou alleen maar zichzelf belachelijk maken.

Ook in Belgie lijkt het tijdperk van plechtige of boertige boekverfilmingen grotendeels ten einde, ook al bereidt regisseur Frank van Passel (Manneken Pis) een internationale speelfilm naar Willem Elsschots Villa des Roses voor. Versplinterd door de geringe belangstelling van het publiek voor films van eigen bodem - de grootste hit van het afgelopen jaar was de klucht Oesje! met een populaire tv-komiek - richten de filmers zich op een breed scala van alternatieven. Een daarvan is de low-budget-exploitatiefilm, een genre dat in Nederland niet bestaat.

Marc Punt, in het dagelijks leven directeur van de Belgische en Nederlandse distributietak van PolyGram Filmed Entertainment, maakte er al twee, als regisseur, producent en scenarist: twee jaar geleden She Good Fighter, en onlangs Dief!, een charmante en pretentieloze misdaadfilm die zich voor een aanzienlijk deel in de gevangenis afspeelt.

Nederlandse speelfilms hebben bijna nooit succes in Vlaanderen, maar Belgische films worden nog maar zelden in Nederland uitgebracht: van alle in dit artikel genoemde films lijken alleen Le bal masque en Rosie bij ons in de bioscoop te gaan komen, en werd Dief! op video uitgebracht. Dat gaat veranderen, want niet alleen in de literatuur en in het theater, maar ook in de film is er geen enkele reden meer voor Belgische minderwaardigheidscomplexen ten opzichte van de grote Nederlandse broer. De Belgische film overschrijdt ook steeds makkelijker de taalgrens, wanneer de handeling dat vereist. Ook al zijn de Vlaamse en Waalse filmgemeenschappen ver van elkaar verwijderd, er is bijna geen film meer waarin niet zowel Nederlands als Frans gesproken wordt op de daartoe geeigende momenten: in Pieces d'identites is het Nederlands beperkt tot kroeg en klooster, in Dominique De Ruddere's Hombres complicados spreken de Vlaamse hoofdpersonen Frans in het criminele circuit. In dat opzicht is de film een van de weinige Belgische fenomenen, die niet Vlaams, Waals of Brussels zijn, net zoals de koning.

Zo'n rijke speelfilm als `Pieces d'identites' is in Nederland nog niet gemaakt over Surinamers in De Pijp