Van Goghs zoeken en zwoegen

Helene Kroller-Muller, die begin deze eeuw een grote verzameling tekeningen en schilderijen van Vincent van Gogh bijeenbracht, beschouwde deze kunstenaar als `een van de groote geesten onzer moderne kunst, waarop de tijdgeest geen vat had, omdat de eigen persoonlijkheid zich in hem te machtig toonde'.

In het museum dat zij heeft gesticht, is nu een tentoonstelling ingericht van 166 tekeningen van Kroller-Mullers held. Daarmee toont het museum bij uitzondering al het tekenwerk van Van Gogh uit de eigen collectie, aangevuld met nog eens meer dan honderd bladen van tijdgenoten.

De geexposeerde tekeningen van Vincent van Goghs hand concentreren zich op de periode voor diens vertrek naar Frankrijk in 1886. Voor Van Gogh, die geen reguliere kunstopleiding had gehad en pas op latere leeftijd voor het kunstenaarschap koos, was het een tijd van zoeken en oefenen. Zoals zoveel andere kunstenaars beschouwde hij de getekende studie daarvoor als het middel bij uitstek. Hoewel ze in thematische secties zijn geordend, nodigen de werken in de tentoonstelling dan ook uit de chronologische ontwikkeling in Van Goghs werk na te lopen.

Die begint bij een groep van vier jeugdwerken. Een ervan is een tekening van een blaffende hond, voorzien van het jaartal 1862. Van Gogh was toen 9 jaar oud en voor een tekening van een kind van die leeftijd is het een overtuigende en anatomisch heel behoorlijk getroffen weergave van het gespannen lichaam van het opgewonden dier. Maar experts betwijfelen de authenticiteit van deze vroege werken. En al was de in zwierige letters geschreven signatuur `V.W. van Gogh' origineel, dan nog zal het niet gaan om een oorspronkelijk werk van een vroegrijp tekenaartje, maar eerder om een nagetekende of overgetrokken tijdschrift-illustratie. Uit de expositie blijkt eens te meer dat Van Gogh zich pas in de loop van zijn carriere de min of meer natuurlijke weergave van proporties en anatomie zou eigen maken.

Hoeveel moeite hem dat kostte, is goed te zien in thema's als de `oogstende boerin', de `zaaier' of de `zittende vrouw bij het raam', die Van Gogh stuk voor stuk verschillende malen herhaalde. Telkens kiest hij een iets ander gezichtspunt en voor wie langs de naast elkaar opgehangen versies loopt, komen de figuren bijna tot leven als in de opeenvolgende beeldjes van een tekenfilm.

Toch blijven onvolkomenheden opvallen: houterige figuren van spittende boeren schonkige boerinnen en een timmerman wiens hand bijna even groot is als zijn zaag. Het is fascinerend te zien hoe Van Goghs gezwoeg uiteindelijk leidde tot expressieve portretten, geslaagde evocaties van het schamele landleven en stemmingsvolle landschappen.

Maar een academisch kunstenaar is Van Gogh nooit geworden. De vergelijking met tekeningen van kunstenaars die hij persoonlijk kende of over wie hij zich uitliet in zijn correspondentie, laat vooral het contrast zien tussen de negentiende-eeuwse academische traditie en Van Goghs heel eigen stijl. De historiescenes van bewonderde voorgangers als Delacroix en Ary Scheffer heeft hij nooit geevenaard, en de portretten en anatomische studies van Breitner, Allebe en Israels, veelal vlot uitgevoerd in trefzekere lijnen laten zien hoeveel minder moeite zij hadden met de weergave van de menselijke figuur.

De sectie `navolgers' is de merkwaardigste. Daar zijn bladen te zien van zulke uiteenlopende negentiende- en twintigste-eeuwse kunstenaars als Odilon Redon en Giovanni Segantini Jan Toorop en Georges Seurat. Van Gogh mag op hen diepe indruk hebben gemaakt, in de werken die van deze kunstenaars worden geexposeerd, is van daadwerkelijke navolging maar weinig te zien. Met al die werken van voorlopers, tijdgenoten en navolgers beoogt de expositie Van Goghs werk te plaatsen in de context van de tekenkunst van zijn tijd. Maar de vergelijking illustreert vooral de onafhankelijkheid van de `tijdgeest' die zijn vroege bewonderaarster Kroller-Muller zo in Van Gogh waardeerde.