Vader eist inzage in rapport over moord

J. de Ruyter de Wildt, de vader van de vermoorde Groningse studente Anne spant een kort geding aan tegen het openbaar ministerie in Groningen. Met een beroep op de Wet openbaarheid bestuur wil hij inzage van het rapport-Blaauw afdwingen.

Ook zal hij bij het ministerie van Justitie een bezwaarschrift indienen tegen de afwijzing van het openbaar ministerie om het rapport-Blaauw openbaar te maken.

De Rotterdamse oud-hoofdcommissaris bestudeerde het dossier over de moord op Anne de Ruyter de Wildt vorige maand op verzoek van de actualiteitenrubriek NOVA. Anne de Ruyter de Wildt (18) werd in de nacht van 30 april op 1 mei van dit jaar gewurgd bij het Noorderstation. Haar vader vindt geheimhouding van het rapport in strijd met de “open dialoog' die hij met justitie voert. Openbaarmaking is volgens hem van groot maatschappelijk belang. “Het onderzoeksbelang houdt openbaarmaking van gedeelten niet tegen', meent hij. “Namen van getuigen kunnen worden geanonimiseerd.' Vooral de onderzoeksuggesties die Blaauw deed wil De Ruyter de Wildt inzien. “Justitie veegt alle fouten onder tafel. Een officier van justitie heeft mij letterlijk gezegd dat het eerste onderzoek een puinhoop was.' Justitie stelde in augustus een nieuw onderzoek naar de moord in, na protesten van het door Annes vader opgerichte `Actiecomite Groningen Veilig'. Een officier van justitie en een rechercheur plozen het dossier na om te zien of er zaken over het hoofd waren gezien.

Van het rapport Blaauw werden alleen de hoofdconclusies openbaar. Blaauw adviseerde het OM alsnog een DNA-onderzoek te laten uitvoeren op de haren die op Anne's lichaam werden aangetroffen. Het spoor naar de 23-jarige verdachte Johnny M., die zestig dagen in hechtenis zat op verdenking van de moord, zou een doodlopend spoor zijn, aldus Blaauw.

Volgens de Groningse persofficier van justitie A. Bronsvoort is het rapport-Blaauw een intern beleidsdocument dat niet openbaar kan worden. De Wet openbaarheid bestuur zou dan niet van toepassing zijn. Bronsvoort: “Openbaarmaking schaadt het opsporingsbelang. Bovendien moeten we de privacy van de getuigen die verklaringen afleggen, beschermen. Dat weegt zwaarder dan het belang van de stichting.'