Ten strijde tegen politieke pretenties; Om waarheid en recht

De politieke macht van de paus was in de vijftiende eeuw bepaald niet onomstreden.

In 1440 bijvoorbeeld leverde de Italiaanse humanist Lorenzo Valla in zijn Pleidooi tegen de Schenking van Constantijn buitengewoon felle kritiek op de wereldse activiteiten van de pausen uit zijn tijd. `Kunnen we', zo betoogde hij, `het beginsel van de pauselijke macht wel als wettig aanvaarden, als we zien dat daaruit zoveel misdaden en zo veelsoortige rampen zijn voortgekomen?' De integrale tekst van het Pleidooi is nu samen met ander werk van Valla in het Nederlands vertaald door Marc van der Poel. Het geheel is aangevuld met een voor- en nawoord en voorzien van korte verklarende noten.

Het Pleidooi bestreed in het bijzonder de bul Constitutum Constantini waarin keizer Constantijn (ca. 280-337) aan paus Silvester I de macht over het westelijke deel van het Romeinse Rijk overdroeg. Volgens de legende zou Constantijn door Silvester zijn genezen van lepra. Uit dank hiervoor bekeerde hij zich tot het christendom en schonk vervolgens de westelijke provincies van zijn rijk aan de paus. De schenkingsbul ontwikkelde zich tot een rechtshistorisch document waarmee een aantal pausen vanaf de elfde eeuw zijn rol als politieke machthebber kon verdedigen. In werkelijkheid was de bul vals. De tekst is vrijwel zeker vervaardigd door een lid van de Romeinse clerus in de tweede helft van de negende eeuw. Valla was zoals Van der Poel in zijn nawoord opmerkt, niet de eerste die de Schenking van Constantijn als een vervalsing aanmerkte. Eerder al hadden bijvoorbeeld Dante, Willem van Ockham en vooral Nicolaas van Cusa de authenticiteit van het document ter discussie gesteld. De valse bul vormde in Valla's Pleidooi bovendien een onderdeel van een veel bredere discussie over de machtsverhoudingen tussen de paus en wereldlijke vorsten.

Valla kan in deze discussie niet zonder meer als een onafhankelijk denker worden beschouwd die `frank en vrij' zijn visie geeft, zoals Van der Poel in zijn nawoord wil doen geloven. Toen Valla zijn Pleidooi schreef, was hij in dienst van Alfonso, koning van Aragon en Sicilie. Alfonso ambieerde vanaf 1435 het koningschap van Napels. Hierdoor was hij een rivaal voor de toenmalige paus Eugenius IV, die in dezelfde tijd zijn regionale machtsbasis probeerde te behouden. De tekst van Valla staat niet los van deze politieke realiteit. Valla werd later onder andere wegens zijn Pleidooi door de Inquisitie beschuldigd van ketterij.

Door tussenkomst van Alfonso werd het proces gestaakt.

Retorische strategie

De verhouding tussen Alfonso en Eugenius reduceert het betoog natuurlijk niet tot louter politieke retorica ten gunste van Alfonso, zoals vaak is beweerd. Tegelijkertijd moet het belang van dit conflict ook niet worden gebagatelliseerd. De relatie van afhankelijkheid tussen de humanist en zijn patroon kan in dit soort gevallen niet afgedaan worden als een triviale nuance die los staat van de verheven inhoud en bedoelingen van de auteur. Van der Poel pleit voor een dergelijke scheiding tussen maatschappelijke positie en ideeengoed maar de teksten in zijn bloemlezing suggereren eerder het tegendeel. Een goed voorbeeld is de rede die Valla als hoogleraar heeft uitgesproken bij de opening van het academisch jaar te Rome in 1455. Valla was inmiddels al zeven jaar in dienst van het Vaticaan, dat hij eerder zo sterk had bekritiseerd. Enige dagen voor het uitspreken van de openingsrede had paus Calixtus III hem zelfs gepromoveerd tot pauselijk secretaris. In zijn rede prijst Valla uitvoerig de pausen voor hun rol bij het in stand houden van de kunsten en wetenschappen. Aan het einde van zijn toespraak richt hij zijn lof op Calixtus, die als paus bepaald geen groot mecenas genoemd kan worden, en prijst hem voor het verhogen van de salarissen van de professoren. De bloemlezing laat hiermee prachtig zien hoe Valla zijn betoog steeds aanpast aan de gelegenheid waarvoor het is geschreven.

Een ander voorbeeld hiervan is de voorrede bij een biografie van Alfonso's vader, koning Ferdinand I. Hier vindt men een betoog waarin Valla de waarde van geschiedschrijving verdedigt tegenover de traditioneel meer gewaardeerde poezie en filosofie.

Van der Poel merkt in zijn voorwoord simpelweg op dat deze tekst `op geheel eigen wijze het grote belang [verwoordt] dat de humanisten hechten aan geschiedschrijving'. Deze opmerking gaat voorbij aan een mogelijke retorische strategie van de auteur om in het voorwoord van zijn werk het genre van de historiografie, waartoe de biografie gerekend kan worden, in een positief daglicht te stellen. Waarom zou de lezer immers de biografie lezen als het een minderwaardig genre betreft? Deze strategie wordt nog aannemelijker als men bedenkt dat de biografie van Ferdinand eigenlijk het begin had moeten worden van een nooit geschreven geschiedenis van Alfonso's koningschap.

Rekening houden met de retorische aard van deze teksten betekent natuurlijk niet dat hun expliciete boodschap onwaar zou zijn. Zoeken naar waarheid is echter niet de meest interessante benadering van de literatuur. De titel die Van der Poel aan het werk geeft, riskeert daarom de aantrekkingskracht van Valla's teksten te verdoezelen. De begrippen waarheid en recht waren ook in de veertiende eeuw al veel diffuser en politieker gericht dan Van der Poel aangeeft. Het is juist fascinerend om tegen deze veelkleurige, dynamische achtergrond te zien hoe Valla zijn doelen wil bereiken en zijn publiek probeert mee te voeren.

Klassieke autoriteit

Valla laat zich in de methode van zijn rede tegen de Schenking kennen als een humanist pur sang. De middeleeuwse tekst wordt met een vlijmscherpe tekstanalyse tot op het bot gefileerd. Anachronismen in taalgebruik en historische beschrijvingen worden genadeloos aan de kaak gesteld. Valla kapittelt de volgens hem obscure manier van schrijven en denken van de middeleeuwers.

Hij hecht een grote waarde aan de autoriteit van de klassieken, zowel in taalgebruik als in retorische structuur en redeneertrant. Deze houding kenmerkt hem ook in zijn activiteiten als hoogleraar retorica te Pavia en later te Rome. Valla schreef beroemde werken over grammatica, dialectica en retorica. Zijn handboek voor een correct en goed verzorgd gebruik van het Latijn, de Elegantiae linguae latinae, was een invloedrijk werk in de ontwikkeling het humanistische onderwijs in Latijn. De zes voorwoorden bij de verschillende delen van dit werk zijn ook in de bloemlezing opgenomen.

In de periode 1350-1650 illustreren juist deze activiteiten van humanisten hun actuele maatschappelijke functie. Het humanisme kan primair als een geleerdencultuur worden gezien, die voor een belangrijk deel verantwoordelijk was voor het onderwijs van de elite. De verzorgde beheersing van Latijn was in de Renaissance van groot belang voor iedereen die actief was in een politieke, juridische of religieuze omgeving. Het retorica-onderwijs moest ervoor zorgen dat men niet alleen grammaticaal correct kon spreken, maar ook een ander kon overtuigen en sturen. Naast deze maatschappelijke functie komt de humanisten ook een bepaalde wetenschappelijke status toe. Met hun tekstkritische benadering van de klassieken maakten de humanisten aanspraak op de kennis die erin besloten lag. Hiermee overstegen ze de grenzen van afzonderlijke disciplines. Zo heeft Valla zich bijvoorbeeld beziggehouden met een filologisch commentaar op het Nieuwe Testament.

De nadruk op taal en tekstkritiek hoeft absoluut niet te resulteren in droge lectuur. Ook Om de waarheid en het recht is zeer onderhoudend om te lezen. Valla hanteert in alle geselecteerde teksten een heldere en vooral levendige stijl.

In zijn Pleidooi voert hij sprekende personen op, richt zich direct tot de paus en scheldt de vervalser een aantal keer persoonlijk uit. Deze scherpe stijl combineert hij met een duidelijke structuur die hij in alle teksten expliciet aangeeft.

In de vertaling van Van der Poel krijgt de lezer een altijd heldere tekst voor ogen, die dikwijls adequaat spoort met Valla's directe stijl. Wel gaat soms het felle venijn van Valla bij Van der Poel verstopt achter een wat ambtelijk gymnasiaans, zoals: `Niets is trouwens pronkzuchtiger en minder passend voor de paus van Rome, en de andere tekenen van zijn eigendunk noem ik maar niet eens.' Of achter een wat stijve zinswending, als: `Maar wie laat zich intimideren door de verwensing van een al te hebzuchtige man, die als een acteur de rol van Constantijn vervullend de mensen probeert af te schrikken?'

Om de waarheid en het recht biedt een gevarieerde kijk op de retorische wereld van de humanist Lorenzo Valla. Het is goed dat deze bloemlezing aantrekkelijke en historisch interessante teksten aanbiedt in een Nederlandse vertaling. Zeker in vergelijking met de hausse aan vertalingen van klassieken, is de Latijnse literatuur van de renaissance nog steeds nauwelijks in het Nederlands toegankelijk. Dat is vaak onterecht. De scherpe pen van Valla bijvoorbeeld imponeert ook in het Nederlands en ruim vijfhonderd jaar later nog steeds.